arbitrage
zelfstandig naamwoord ɑrbi'traʒəBetekenis
- het handelen van een scheidsrechter of arbiter (spraakgebruik)
- het resultaat van het handelen van een arbiter
- het gelijktijdig op verschillende markten kopen en verkopen om gebruik te maken van koersverschillen, handelsarbitrage
Hoe spreek je arbitrage uit?
/ɑrbiˈtraʒə/
Arbitrage bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| b | bak |
| i | riet |
| t | tak |
| a | maan |
| ʒ | journaal |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arbitrages | meervoud |
| arbitragetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| arbitragetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bemiddeling’ voor het eerst aangetroffen in 1503
Woordfamilie van arbitrage
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arbitrages | meervoud | arbitrage |
| arbitragetje | verkleinwoord | arbitrage |
| arbitragetjes | verkleinwoord meervoud | arbitrage |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arbitrage zijn vastgelegd.