arren
werkwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- rijden met een ar
- datief van het verouderde ar (boos, kwaad), archaïsch|archaïsche vorm die in enkele voorkomt
Vervoeging van arren
arrenhele werkwoord — ardeverleden tijd enkelvoud — ardenverleden tijd meervoud — geardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ar | arde |
| jij | art | arde |
| hij, zij, het | art | arde |
| wij | arren | arden |
| jullie | arren | arden |
| zij | arren | arden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ar | gebiedende wijs |
| arde | verleden tijd |
| arre | aanvoegende wijs |
| arrend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geard | verleden tijd, deelwoord |
| geard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te arren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen arren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal arren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal arren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal arren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou arren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou arren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou arren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden arren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden arren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden arren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt arren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen arren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen arren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen arren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen arren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult arren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ar
bijvoeglijk naamwoord
- datief van het verouderde ar (boos, kwaad), archaïsche vorm die in enkele staande uitdrukkingen voorkomt
Herkomst
afgeleid van ar met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van arren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arde | verleden tijd | arren |
| arden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | arren |
| arrend | onvoltooid deelwoord | arren |
| arrende | woordvorm | arren |
| geard | voltooid deelwoord | arren |
| gearde | woordvorm | arren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arren zijn vastgelegd.