afwikkelen
werkwoordBetekenis
- een opgewikkelde draad of kabel van de spil verwijderen door deze te draaien
- een bepaalde zaak geheel afhandelen
Vervoeging van afwikkelen
afwikkelenhele werkwoord — wikkelde afverleden tijd enkelvoud — wikkelden afverleden tijd meervoud — afgewikkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wikkel af | wikkelde af |
| jij | wikkelt af | wikkelde af |
| hij, zij, het | wikkelt af | wikkelde af |
| wij | wikkelen af | wikkelden af |
| jullie | wikkelen af | wikkelden af |
| zij | wikkelen af | wikkelden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te wikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen wikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal wikkelen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou wikkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden wikkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt wikkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen wikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen wikkelen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult wikkelen | bijzin, toekomende tijd |
| afgewikkeld | verleden tijd, deelwoord |
| afgewikkeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgewikkeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgewikkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewikkeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewikkeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewikkeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgewikkeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgewikkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgewikkeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgewikkeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afwikkel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwikkelde | bijzin, verleden tijd |
| afwikkelden | bijzin, verleden tijd |
| afwikkelend | onvoltooid, deelwoord |
| afwikkelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgewikkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgewikkeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgewikkeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgewikkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgewikkeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgewikkeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgewikkeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgewikkeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgewikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afwikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgewikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| wikkel af | gebiedende wijs |
| wikkelde af | verleden tijd |
| word afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgewikkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgewikkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewikkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afwikkelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgewikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewikkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewikkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewikkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afwikkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afwikkelen af zou(dt) wikkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgewikkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgewikkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgewikkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afwikkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgewikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgewikkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afwikkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgewikkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgewikkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgewikkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgewikkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afwikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afwikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afwikkelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgewikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en wikkelen ww
Woordfamilie van afwikkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgewikkeld | voltooid deelwoord | afwikkelen |
| afgewikkelde | woordvorm | afwikkelen |
| afwikkel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwikkelen |
| afwikkelde | subordinate-clause, verleden tijd | afwikkelen |
| afwikkelden | subordinate-clause, verleden tijd | afwikkelen |
| afwikkele | with-subordinate-clause | afwikkelen |
| afwikkelend | onvoltooid deelwoord | afwikkelen |
| afwikkelende | woordvorm | afwikkelen |
| afwikkelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwikkelen |
| wikkel af | gebiedende wijs | afwikkelen |
| wikkelde af | verleden tijd | afwikkelen |
| wikkelden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afwikkelen |
| wikkele af | woordvorm | afwikkelen |
| wikkelen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afwikkelen |
| wikkelt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afwikkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwikkelen zijn vastgelegd.