Naar de inhoud

uitrollen

ophouden te rollen

uitrollen

werkwoord ˈœytrɔllə(n)

Betekenis

  1. ophouden te rollen
  2. met een rollende beweging een bal in het spel brengen
  3. in een rollende beweging uitspreiden
  4. organiseren

Hoe spreek je uitrollen uit?

/ˈœytrɔllən/

Uitrollen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytrɔllən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
r rood
ɔ bot
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. stapsgewijs op meerdere plaatsen invoeren figuratively, transitive

Vervoeging van uitrollen

uitrollenhele werkwoord — rolde uitverleden tijd enkelvoud — rolden uitverleden tijd meervoud — uitgeroldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rol uit rolde uit
jij rolt uit rolde uit
hij, zij, het rolt uit rolde uit
wij rollen uit rolden uit
jullie rollen uit rolden uit
zij rollen uit rolden uit
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben uitgerold voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgerold impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was uitgerold impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd uitgerold impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt uitgerold impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal uitgerold worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal uitgerold zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou uitgerold worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou uitgerold zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben uitgerold actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is uitgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgerold voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rol uit gebiedende wijs
rolde uit verleden tijd
te hebben/zijn uitgerold actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitrollen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te rollen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen rollen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal rollen bijzin, toekomende tijd
uit zou rollen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden rollen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt rollen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen rollen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen rollen bijzin, toekomende tijd
uit zult rollen bijzin, toekomende tijd
uitgerold verleden tijd, deelwoord
uitgerold te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgerold te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgerold te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerold te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerold te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerold worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgerold zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgerold zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgerold zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgerold zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitrol bijzin, tegenwoordige tijd
uitrolde bijzin, verleden tijd
uitrolden bijzin, verleden tijd
uitrollend onvoltooid, deelwoord
uitrolt bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgerold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgerold voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgerold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgerold voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgerold voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgerold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgerold voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgerold enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgerold enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgerold zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgerold zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitrollen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgerold actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgerold voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgerold voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgerold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitrollen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitrollen uit zou(dt) rollen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitrollen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgerold zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitrollen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgerold zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgerold zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgerold zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitrollen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitrollen bijzin, toekomende tijd
zult uitgerold worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgerold zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitrollen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitrollen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitrollen uit zult/zal rollen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en rollen ww

Woordfamilie van uitrollen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
rol uit gebiedende wijs uitrollen
rolde uit verleden tijd uitrollen
rolden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitrollen
rolle uit woordvorm uitrollen
rollen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitrollen
rolt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitrollen
uitgerold voltooid deelwoord uitrollen
uitgerolde woordvorm uitrollen
uitrol subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitrollen
uitrolde subordinate-clause, verleden tijd uitrollen
uitrolden subordinate-clause, verleden tijd uitrollen
uitrolle with-subordinate-clause uitrollen
uitrollend onvoltooid deelwoord uitrollen
uitrollende woordvorm uitrollen
uitrolt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitrollen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitrollen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitrollen

Hoe spreek je uitrollen uit?
De uitspraak van uitrollen is: /ˈœytrɔllə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitrollen?
Uitrollen is een werkwoord. Het woord betekent: ophouden te rollen. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitrollen?
Je vervoegt uitrollen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgerold. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitrollen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. R 2
  5. O 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitrollen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. R 2
  5. O 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitrollen in het kort

uitrollen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitrollen zijn 76 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitrollen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitrollen: ophouden te rollen
Deel uitrollen — standaardnederlands.nl