Naar de inhoud

afdoen

een gerezen vraag of tegenwerping als onbetekenend voorstellen

afdoen

werkwoord ˈɑvdun

Betekenis

  1. een gerezen vraag of tegenwerping als onbetekenend voorstellen
  2. een sieraad of kledingstuk afleggen
  3. ten einde brengen, niet langer werkzaam of geldig zijn
  4. minder belangrijk maken

Hoe spreek je afdoen uit?

/ˈɑvdun/

Afdoen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑvdun/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
v vis
d dak
u boek
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afdoen

afdoenhele werkwoord — deed afverleden tijd enkelvoud — deden afverleden tijd meervoud — afgedaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doe af deed af
jij doet af deed af
hij, zij, het doet af deed af
wij doen af deden af
jullie doen af deden af
zij doen af deden af
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te doen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal doen bijzin, toekomende tijd
af zou doen bijzin, voorwaardelijk
af zouden doen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt doen bijzin, voorwaardelijk
af zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen doen bijzin, toekomende tijd
af zult doen bijzin, toekomende tijd
afdeden bijzin, verleden tijd
afdeed bijzin, verleden tijd
afdeedt bijzin, verleden tijd
afdoe bijzin, tegenwoordige tijd
afdoend onvoltooid, deelwoord
afdoet bijzin, tegenwoordige tijd
afgedaan verleden tijd, deelwoord
afgedaan te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgedaan te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgedaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgedaan te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgedaan te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgedaan worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgedaan zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgedaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgedaan zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgedaan zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
deed af verleden tijd
doe af gebiedende wijs
er is afgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgedaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgedaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgedaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgedaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgedaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgedaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afdoen bijzin, toekomende tijd
zal afgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afdoen bijzin, voorwaardelijk
zou afgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afdoen af zou(dt) doen bijzin, voorwaardelijk
zouden afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afdoen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afdoen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afdoen bijzin, toekomende tijd
zullen afgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en doen ww

Woordfamilie van afdoen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afdeden subordinate-clause, verleden tijd afdoen
afdeed subordinate-clause, verleden tijd afdoen
afdoe subordinate-clause, tegenwoordige tijd afdoen
afdoet subordinate-clause, tegenwoordige tijd afdoen
deden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afdoen
deed af verleden tijd afdoen
doe af gebiedende wijs afdoen
doen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afdoen
doet af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afdoen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdoen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over afdoen

Hoe spreek ik afdoen uit?
Zo spreek je afdoen uit: /ˈɑvdun/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afdoen?
Afdoen is een werkwoord. De betekenis is: een gerezen vraag of tegenwerping als onbetekenend voorstellen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afdoen?
Zo vervoeg je afdoen zo: het voltooid deelwoord is afgedaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afdoen is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. D 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afdoen levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. D 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 zonder bonus
  8. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afdoen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afdoen in het kort

afdoen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afdoen staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afdoen bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afdoen: een gerezen vraag of tegenwerping als onbetekenend voorstellen
Deel afdoen — standaardnederlands.nl