afdoen
werkwoord ˈɑvdunBetekenis
- een gerezen vraag of tegenwerping als onbetekenend voorstellen
- een sieraad of kledingstuk afleggen
- ten einde brengen, niet langer werkzaam of geldig zijn
- minder belangrijk maken
Hoe spreek je afdoen uit?
/ˈɑvdun/
Afdoen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| d | dak |
| u | boek |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afdoen
afdoenhele werkwoord — deed afverleden tijd enkelvoud — deden afverleden tijd meervoud — afgedaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doe af | deed af |
| jij | doet af | deed af |
| hij, zij, het | doet af | deed af |
| wij | doen af | deden af |
| jullie | doen af | deden af |
| zij | doen af | deden af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te doen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal doen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou doen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden doen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt doen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen doen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult doen | bijzin, toekomende tijd |
| afdeden | bijzin, verleden tijd |
| afdeed | bijzin, verleden tijd |
| afdeedt | bijzin, verleden tijd |
| afdoe | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdoend | onvoltooid, deelwoord |
| afdoet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgedaan | verleden tijd, deelwoord |
| afgedaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| deed af | verleden tijd |
| doe af | gebiedende wijs |
| er is afgedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgedaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgedaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgedaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgedaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgedaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgedaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdoen af zou(dt) doen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en doen ww
Woordfamilie van afdoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdeden | subordinate-clause, verleden tijd | afdoen |
| afdeed | subordinate-clause, verleden tijd | afdoen |
| afdoe | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdoen |
| afdoet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdoen |
| deden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdoen |
| deed af | verleden tijd | afdoen |
| doe af | gebiedende wijs | afdoen |
| doen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdoen |
| doet af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdoen zijn vastgelegd.