ontrollen
werkwoordBetekenis
- iets dat opgerold is afwikkelen
- rollend ontkomen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van ontrollen
ontrollenhele werkwoord — ontroldeverleden tijd enkelvoud — ontroldenverleden tijd meervoud — ontroldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontrol | ontrolde |
| jij | ontrolt | ontrolde |
| hij, zij, het | ontrolt | ontrolde |
| wij | ontrollen | ontrolden |
| jullie | ontrollen | ontrolden |
| zij | ontrollen | ontrolden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontrold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontrold | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontrold | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontrold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontrold worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontrold zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontrold worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontrold zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontrold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontrold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontrold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontrold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontrold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontrold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontrold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontrold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontrol | gebiedende wijs |
| ontrol me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontrol u/je , ontrolt je | gebiedende wijs |
| ontrold | verleden tijd, deelwoord |
| ontrold te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontrold te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontrold te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontrold te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontrold te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontrold worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontrold zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontrold zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontrold zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontrold zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontrolde | verleden tijd |
| ontrolde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontrolde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontrolde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontrolde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontrolde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontrolde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontrolde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontrolden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontrolden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontrolden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontrolle | aanvoegende wijs |
| ontrolle zich | aanvoegende wijs |
| ontrollen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontrollen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontrollen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontrollend | onvoltooid, deelwoord |
| ontrolt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontrolt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontrolt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontrolt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontrolt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontrolt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben ontrold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontrollen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontrollen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontrold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontrold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontrold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontrold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontrold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontrold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontrold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontrold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontrold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontrold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontrold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontrold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontrold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontrold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontrold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontrold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontrold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontrold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontrold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontrold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me ontrollen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal ontrold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontrold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontrold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontrold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontrold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontrold zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontrold zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontrollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontrollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontrollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich ontrollen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ontrollen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ontrold hebben | verleden tijd |
| zich ontrollend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontrold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontrold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontrold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontrold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontrold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontrold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontrold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontrold zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontrold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontrold zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontrollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontrollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontrollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontrold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontrold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontrold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontrold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontrold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontrold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontrold zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontrold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontrold zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontrollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontrollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontrollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontrold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontrold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontrold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontrollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je ontrollen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons ontrollen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ontrold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontrold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van rollen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontrollen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontrol | gebiedende wijs | ontrollen |
| ontrold | voltooid deelwoord | ontrollen |
| ontrolde | verleden tijd | ontrollen |
| ontrolden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontrollen |
| ontrolle | aanvoegende wijs | ontrollen |
| ontrollend | onvoltooid deelwoord | ontrollen |
| ontrollende | woordvorm | ontrollen |
| ontrolt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontrollen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontrollen zijn vastgelegd.