afhandelen
werkwoordBetekenis
- regelen zodat het tot een einde komt
Vervoeging van afhandelen
afhandelenhele werkwoord — handelde afverleden tijd enkelvoud — handelden afverleden tijd meervoud — afgehandeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | handel af | handelde af |
| jij | handelt af | handelde af |
| hij, zij, het | handelt af | handelde af |
| wij | handelen af | handelden af |
| jullie | handelen af | handelden af |
| zij | handelen af | handelden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te handelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen handelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal handelen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou handelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden handelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt handelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen handelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen handelen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult handelen | bijzin, toekomende tijd |
| afgehandeld | verleden tijd, deelwoord |
| afgehandeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgehandeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgehandeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgehandeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgehandeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgehandeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgehandeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgehandeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgehandeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgehandeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afhandel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afhandelde | bijzin, verleden tijd |
| afhandelden | bijzin, verleden tijd |
| afhandelend | onvoltooid, deelwoord |
| afhandelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgehandeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgehandeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgehandeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgehandeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgehandeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgehandeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgehandeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgehandeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgehandeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgehandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgehandeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgehandeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgehandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgehandeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgehandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| handel af | gebiedende wijs |
| handelde af | verleden tijd |
| heb afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgehandeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgehandeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afhandelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgehandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgehandeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgehandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgehandeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgehandeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgehandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgehandeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgehandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgehandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgehandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgehandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgehandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgehandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afhandelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgehandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgehandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgehandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgehandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgehandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgehandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgehandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afhandelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afhandelen af zou(dt) handelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgehandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgehandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgehandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgehandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgehandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgehandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afhandelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgehandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgehandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afhandelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgehandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgehandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgehandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgehandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgehandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgehandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgehandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afhandelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afhandelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afhandelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgehandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en handelen ww
Woordfamilie van afhandelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgehandeld | voltooid deelwoord | afhandelen |
| afgehandelde | woordvorm | afhandelen |
| afhandel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afhandelen |
| afhandelde | subordinate-clause, verleden tijd | afhandelen |
| afhandelden | subordinate-clause, verleden tijd | afhandelen |
| afhandele | with-subordinate-clause | afhandelen |
| afhandelend | onvoltooid deelwoord | afhandelen |
| afhandelende | woordvorm | afhandelen |
| afhandelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afhandelen |
| handel af | gebiedende wijs | afhandelen |
| handelde af | verleden tijd | afhandelen |
| handelden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afhandelen |
| handele af | woordvorm | afhandelen |
| handelen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afhandelen |
| handelt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afhandelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afhandelen zijn vastgelegd.