opheffen
werkwoord /'ɔpɦɛfə(n)/Betekenis
- iets in opwaartse richting brengen
- een instelling of regel ongedaan maken
Hoe spreek je opheffen uit?
/ˈɔphɛfən/
Opheffen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van opheffen
opheffenhele werkwoord — hief opverleden tijd enkelvoud — hieven opverleden tijd meervoud — opgehevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hef op | hief op |
| jij | heft op | hief op |
| hij, zij, het | heft op | hief op |
| wij | heffen op | hieven op |
| jullie | heffen op | hieven op |
| zij | heffen op | hieven op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeheven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeheven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeheven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeheven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeheven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeheven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeheven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeheven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeheven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hef op | gebiedende wijs |
| hief op | verleden tijd |
| is opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te heffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen heffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal heffen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou heffen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden heffen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt heffen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen heffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen heffen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult heffen | bijzin, toekomende tijd |
| opgeheven | verleden tijd, deelwoord |
| opgeheven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeheven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeheven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeheven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeheven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeheven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeheven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeheven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeheven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeheven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ophef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opheffend | onvoltooid, deelwoord |
| opheft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophief | bijzin, verleden tijd |
| ophieven | bijzin, verleden tijd |
| te hebben opgeheven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opheffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeheven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeheven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opheffen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opheffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opheffen op zou(dt) heffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opheffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opheffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeheven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeheven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeheven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opheffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opheffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opheffen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en heffen ww
Woordfamilie van opheffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hef op | gebiedende wijs | opheffen |
| heffe op | woordvorm | opheffen |
| heffen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opheffen |
| heft op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opheffen |
| hief op | verleden tijd | opheffen |
| hieven op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opheffen |
| opgeheven | voltooid deelwoord | opheffen |
| opheffe | with-subordinate-clause | opheffen |
| opheffend | onvoltooid deelwoord | opheffen |
| opheffende | woordvorm | opheffen |
| opheft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opheffen |
| ophief | subordinate-clause, verleden tijd | opheffen |
| ophieven | subordinate-clause, verleden tijd | opheffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opheffen zijn vastgelegd.