afzetten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- het verwijderen van een deel van een lichaamsdeel
- erin slagen producten verkocht te krijgen
- iemand te veel laten betalen voor iets
- het leggen van eieren door vissen e.d
- iemand met een voertuig naar een plaats brengen en daar snel laten uitstappen
- het sedimentatieproces waardoor lagen bezinksel ontstaan
- de zoom of rand van een kledingstuk versieren
- apparatuur uitschakelen
- uit een hoog ambt verwijderen
- een weg voor alle verkeer blokkeren, een gebied ontoegankelijk maken voor onbevoegden
- iets dat op het hoofd gedragen wordt weer afnemen
- zich ~: veelal met de benen kracht op iets uitoefenen om weg te kunnen bewegen
- overdrachtelijk: zich ~ tegen: zijn gedrag laten bepalen door de wens zich te willen onderscheiden van iemand anders
- overdrachtelijk: van zich ~: gedachten uit het hoofd zetten
werkwoord
- : het verwijderen van een deel van een lichaamsdeel transitive
- : erin slagen producten verkocht te krijgen transitive
- : het leggen van eieren door vijv. vissen transitive
- : het sedimentatieproces waardoor lagen bezinksel ontstaan transitive
Vervoeging van afzetten
afzettenhele werkwoord — zette afverleden tijd enkelvoud — zetten afverleden tijd meervoud — afgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet af | zette af |
| jij | zet af | zette af |
| hij, zij, het | zet af | zette af |
| wij | zetten af | zetten af |
| jullie | zetten af | zetten af |
| zij | zetten af | zetten af |
Alle 156 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| afgezet | verleden tijd, deelwoord |
| afgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzette | bijzin, verleden tijd |
| afzettend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zal me afzetten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich afzetten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je afzetten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zet af | gebiedende wijs |
| zet u/je af, zet je af | gebiedende wijs |
| zette af | verleden tijd |
| zich afgezet hebben | verleden tijd |
| zich afzettend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afzetten af zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van afzetten
Vervoeging van afzetten
afzettenhele werkwoord — zette afverleden tijd enkelvoud — zetten afverleden tijd meervoud — afgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet af | zette af |
| jij | zet af | zette af |
| hij, zij, het | zet af | zette af |
| wij | zetten af | zetten af |
| jullie | zetten af | zetten af |
| zij | zetten af | zetten af |
Alle 156 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| afgezet | verleden tijd, deelwoord |
| afgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzette | bijzin, verleden tijd |
| afzettend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zal me afzetten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich afzetten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je afzetten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zet af | gebiedende wijs |
| zet u/je af, zet je af | gebiedende wijs |
| zette af | verleden tijd |
| zich afgezet hebben | verleden tijd |
| zich afzettend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afzetten af zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afzet
Herkomst
samenstelling van af bw en zetten ww
Woordfamilie van afzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgezet | voltooid deelwoord | afzetten |
| afgezette | woordvorm | afzetten |
| afzette | subordinate-clause, verleden tijd | afzetten |
| afzettend | onvoltooid deelwoord | afzetten |
| afzettende | woordvorm | afzetten |
| zet af | gebiedende wijs | afzetten |
| zette af | verleden tijd | afzetten |
| zetten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzetten zijn vastgelegd.