Naar de inhoud

afzetten

het verwijderen van een deel van een lichaamsdeel

afzetten is meer dan één woord

afzetten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. het verwijderen van een deel van een lichaamsdeel
  2. erin slagen producten verkocht te krijgen
  3. iemand te veel laten betalen voor iets
  4. het leggen van eieren door vissen e.d
  5. iemand met een voertuig naar een plaats brengen en daar snel laten uitstappen
  6. het sedimentatieproces waardoor lagen bezinksel ontstaan
  7. de zoom of rand van een kledingstuk versieren
  8. apparatuur uitschakelen
  9. uit een hoog ambt verwijderen
  10. een weg voor alle verkeer blokkeren, een gebied ontoegankelijk maken voor onbevoegden
  11. iets dat op het hoofd gedragen wordt weer afnemen
  12. zich ~: veelal met de benen kracht op iets uitoefenen om weg te kunnen bewegen
  13. overdrachtelijk: zich ~ tegen: zijn gedrag laten bepalen door de wens zich te willen onderscheiden van iemand anders
  14. overdrachtelijk: van zich ~: gedachten uit het hoofd zetten

werkwoord

  1. : het verwijderen van een deel van een lichaamsdeel transitive
  2. : erin slagen producten verkocht te krijgen transitive
  3. : het leggen van eieren door vijv. vissen transitive
  4. : het sedimentatieproces waardoor lagen bezinksel ontstaan transitive

Vervoeging van afzetten

afzettenhele werkwoord — zette afverleden tijd enkelvoud — zetten afverleden tijd meervoud — afgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet af zette af
jij zet af zette af
hij, zij, het zet af zette af
wij zetten af zetten af
jullie zetten af zetten af
zij zetten af zetten af
Alle 156 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal zetten bijzin, toekomende tijd
af zou zetten bijzin, voorwaardelijk
af zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
af zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zetten bijzin, toekomende tijd
af zult zetten bijzin, toekomende tijd
afgezet verleden tijd, deelwoord
afgezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzet bijzin, tegenwoordige tijd
afzette bijzin, verleden tijd
afzettend onvoltooid, deelwoord
ben afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzetten bijzin, toekomende tijd
zal me afzetten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich afzetten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je afzetten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zet af gebiedende wijs
zet u/je af, zet je af gebiedende wijs
zette af verleden tijd
zich afgezet hebben verleden tijd
zich afzettend onvoltooid, deelwoord
zijn afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzetten af zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van afzetten

Vervoeging van afzetten

afzettenhele werkwoord — zette afverleden tijd enkelvoud — zetten afverleden tijd meervoud — afgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet af zette af
jij zet af zette af
hij, zij, het zet af zette af
wij zetten af zetten af
jullie zetten af zetten af
zij zetten af zetten af
Alle 156 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal zetten bijzin, toekomende tijd
af zou zetten bijzin, voorwaardelijk
af zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
af zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zetten bijzin, toekomende tijd
af zult zetten bijzin, toekomende tijd
afgezet verleden tijd, deelwoord
afgezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzet bijzin, tegenwoordige tijd
afzette bijzin, verleden tijd
afzettend onvoltooid, deelwoord
ben afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzetten bijzin, toekomende tijd
zal me afzetten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich afzetten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je afzetten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zet af gebiedende wijs
zet u/je af, zet je af gebiedende wijs
zette af verleden tijd
zich afgezet hebben verleden tijd
zich afzettend onvoltooid, deelwoord
zijn afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzetten af zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord afzet

Herkomst

samenstelling van af bw en zetten ww

Woordfamilie van afzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgezet voltooid deelwoord afzetten
afgezette woordvorm afzetten
afzette subordinate-clause, verleden tijd afzetten
afzettend onvoltooid deelwoord afzetten
afzettende woordvorm afzetten
zet af gebiedende wijs afzetten
zette af verleden tijd afzetten
zetten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzetten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afzetten

Wat is de betekenis van afzetten?
Afzetten is een werkwoord. De betekenis is: het verwijderen van een deel van een lichaamsdeel. In totaal staan er 18 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afzetten?
Zo vervoeg je afzetten zo: het voltooid deelwoord is afgezet. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afzetten is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 4
  4. E 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afzetten levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 5
  4. E 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afzetten in het kort

afzetten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 18 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afzetten staan er 95 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afzetten bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afzetten: het verwijderen van een deel van een lichaamsdeel
Deel afzetten — standaardnederlands.nl