uittrekken
werkwoord /ˈœytrɛkə(n)/Betekenis
- van je lichaam af halen, kleding afleggen
- uit iets anders trekken
- een kort overzicht maken van
- er tijd of geld voor beschikbaar stellen
- lostrekken, wegtrekken
- weggaan uit
Hoe spreek je uittrekken uit?
/ˈœytrɛkən/
Uittrekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uittrekken
uittrekkenhele werkwoord — trok uitverleden tijd enkelvoud — trokken uitverleden tijd meervoud — uitgetrokkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trek uit | trok uit |
| jij | trekt uit | trok uit |
| hij, zij, het | trekt uit | trok uit |
| wij | trekken uit | trokken uit |
| jullie | trekken uit | trokken uit |
| zij | trekken uit | trokken uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgetrokken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgetrokken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgetrokken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgetrokken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uittrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trek uit | gebiedende wijs |
| trok uit | verleden tijd |
| uit te trekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal trekken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen trekken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult trekken | bijzin, toekomende tijd |
| uitgetrokken | verleden tijd, deelwoord |
| uitgetrokken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgetrokken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgetrokken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgetrokken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgetrokken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgetrokken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgetrokken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgetrokken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgetrokken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgetrokken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uittrek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uittrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| uittrekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uittrok | bijzin, verleden tijd |
| uittrokken | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uittrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uittrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uittrekken uit zou(dt) trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uittrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uittrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uittrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uittrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uittrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en trekken
Woordfamilie van uittrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trek uit | gebiedende wijs | uittrekken |
| trekke uit | woordvorm | uittrekken |
| trekken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uittrekken |
| trekt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uittrekken |
| trok uit | verleden tijd | uittrekken |
| trokken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uittrekken |
| uitgetrokken | voltooid deelwoord | uittrekken |
| uittrek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uittrekken |
| uittrekke | with-subordinate-clause | uittrekken |
| uittrekkend | onvoltooid deelwoord | uittrekken |
| uittrekkende | woordvorm | uittrekken |
| uittrekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uittrekken |
| uittrok | subordinate-clause, verleden tijd | uittrekken |
| uittrokken | subordinate-clause, verleden tijd | uittrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uittrekken zijn vastgelegd.