Naar de inhoud

uittrekken

van je lichaam af halen, kleding afleggen

uittrekken

werkwoord /ˈœytrɛkə(n)/

Betekenis

  1. van je lichaam af halen, kleding afleggen
  2. uit iets anders trekken
  3. een kort overzicht maken van
  4. er tijd of geld voor beschikbaar stellen
  5. lostrekken, wegtrekken
  6. weggaan uit

Hoe spreek je uittrekken uit?

/ˈœytrɛkən/

Uittrekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytrɛkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
r rood
ɛ bed
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uittrekken

uittrekkenhele werkwoord — trok uitverleden tijd enkelvoud — trokken uitverleden tijd meervoud — uitgetrokkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik trek uit trok uit
jij trekt uit trok uit
hij, zij, het trekt uit trok uit
wij trekken uit trokken uit
jullie trekken uit trokken uit
zij trekken uit trokken uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgetrokken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgetrokken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgetrokken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgetrokken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgetrokken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgetrokken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgetrokken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgetrokken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgetrokken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgetrokken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uittrekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
trek uit gebiedende wijs
trok uit verleden tijd
uit te trekken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen trekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal trekken bijzin, toekomende tijd
uit zou trekken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden trekken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt trekken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen trekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen trekken bijzin, toekomende tijd
uit zult trekken bijzin, toekomende tijd
uitgetrokken verleden tijd, deelwoord
uitgetrokken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgetrokken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgetrokken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgetrokken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgetrokken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgetrokken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgetrokken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgetrokken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgetrokken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgetrokken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uittrek bijzin, tegenwoordige tijd
uittrekkend onvoltooid, deelwoord
uittrekt bijzin, tegenwoordige tijd
uittrok bijzin, verleden tijd
uittrokken bijzin, verleden tijd
waart uitgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgetrokken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uittrekken bijzin, toekomende tijd
zijn uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uittrekken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uittrekken uit zou(dt) trekken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uittrekken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgetrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uittrekken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgetrokken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgetrokken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uittrekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uittrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uittrekken bijzin, toekomende tijd
zult uitgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en trekken

Woordfamilie van uittrekken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
trek uit gebiedende wijs uittrekken
trekke uit woordvorm uittrekken
trekken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uittrekken
trekt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uittrekken
trok uit verleden tijd uittrekken
trokken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uittrekken
uitgetrokken voltooid deelwoord uittrekken
uittrek subordinate-clause, tegenwoordige tijd uittrekken
uittrekke with-subordinate-clause uittrekken
uittrekkend onvoltooid deelwoord uittrekken
uittrekkende woordvorm uittrekken
uittrekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uittrekken
uittrok subordinate-clause, verleden tijd uittrekken
uittrokken subordinate-clause, verleden tijd uittrekken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uittrekken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uittrekken

Hoe spreek ik uittrekken uit?
Zo spreek je uittrekken uit: /ˈœytrɛkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uittrekken?
Uittrekken is een werkwoord. De betekenis is: van je lichaam af halen, kleding afleggen. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uittrekken?
Zo vervoeg je uittrekken zo: het voltooid deelwoord is uitgetrokken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uittrekken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uittrekken levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uittrekken in het kort

uittrekken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uittrekken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uittrekken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uittrekken: van je lichaam af halen, kleding afleggen
Deel uittrekken — standaardnederlands.nl