afleggen
werkwoord ˈɑflɛɣə(n)Betekenis
- het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
- afstand overbruggen
- ~ tegen: verliezen van
- van het lichaam doen
- doen, volbrengen
Hoe spreek je afleggen uit?
/ˈɑflɛxən/
Afleggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| l | land |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis transitive
- bespieden, in het bijzonder met een truc erachter komen of een huisdeur gebruikt wordt zodat makkelijker kan worden ingebroken transitive
Vervoeging van afleggen
afleggenhele werkwoord — legde afverleden tijd enkelvoud — legden afverleden tijd meervoud — afgelegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leg af | legde af |
| jij | legt af | legde af |
| hij, zij, het | legt af | legde af |
| wij | leggen af | legden af |
| jullie | leggen af | legden af |
| zij | leggen af | legden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te leggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal leggen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen leggen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult leggen | bijzin, toekomende tijd |
| afgelegd | verleden tijd, deelwoord |
| afgelegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgelegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgelegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgelegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgelegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgelegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgelegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afleg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aflegde | bijzin, verleden tijd |
| aflegden | bijzin, verleden tijd |
| afleggend | onvoltooid, deelwoord |
| aflegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgelegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgelegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgelegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgelegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgelegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgelegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leg af | gebiedende wijs |
| legde af | verleden tijd |
| te hebben afgelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afleggen af zou(dt) leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands afleggen / avelecghen, op te vatten als samenstelling van af bw en leggen ww
Woordfamilie van afleggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgelegd | voltooid deelwoord | afleggen |
| afleg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afleggen |
| aflegde | subordinate-clause, verleden tijd | afleggen |
| aflegden | subordinate-clause, verleden tijd | afleggen |
| aflegge | with-subordinate-clause | afleggen |
| afleggend | onvoltooid deelwoord | afleggen |
| afleggende | woordvorm | afleggen |
| aflegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afleggen |
| leg af | gebiedende wijs | afleggen |
| legde af | verleden tijd | afleggen |
| legden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afleggen |
| legge af | woordvorm | afleggen |
| leggen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afleggen |
| legt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afleggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afleggen zijn vastgelegd.