Naar de inhoud

afleggen

het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis

afleggen

werkwoord ˈɑflɛɣə(n)

Betekenis

  1. het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
  2. afstand overbruggen
  3. ~ tegen: verliezen van
  4. van het lichaam doen
  5. doen, volbrengen

Hoe spreek je afleggen uit?

/ˈɑflɛxən/

Afleggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑflɛxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
l land
ɛ bed
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis transitive
  2. bespieden, in het bijzonder met een truc erachter komen of een huisdeur gebruikt wordt zodat makkelijker kan worden ingebroken transitive

Vervoeging van afleggen

afleggenhele werkwoord — legde afverleden tijd enkelvoud — legden afverleden tijd meervoud — afgelegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leg af legde af
jij legt af legde af
hij, zij, het legt af legde af
wij leggen af legden af
jullie leggen af legden af
zij leggen af legden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te leggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal leggen bijzin, toekomende tijd
af zou leggen bijzin, voorwaardelijk
af zouden leggen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt leggen bijzin, voorwaardelijk
af zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen leggen bijzin, toekomende tijd
af zult leggen bijzin, toekomende tijd
afgelegd verleden tijd, deelwoord
afgelegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgelegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgelegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgelegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgelegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgelegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgelegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgelegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgelegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgelegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afleg bijzin, tegenwoordige tijd
aflegde bijzin, verleden tijd
aflegden bijzin, verleden tijd
afleggend onvoltooid, deelwoord
aflegt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgelegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgelegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgelegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgelegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgelegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgelegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leg af gebiedende wijs
legde af verleden tijd
te hebben afgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afleggen bijzin, toekomende tijd
zijn afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afleggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afleggen af zou(dt) leggen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afleggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afleggen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afleggen bijzin, toekomende tijd
zult afgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

van Middelnederlands afleggen / avelecghen, op te vatten als samenstelling van af bw en leggen ww

Woordfamilie van afleggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgelegd voltooid deelwoord afleggen
afleg subordinate-clause, tegenwoordige tijd afleggen
aflegde subordinate-clause, verleden tijd afleggen
aflegden subordinate-clause, verleden tijd afleggen
aflegge with-subordinate-clause afleggen
afleggend onvoltooid deelwoord afleggen
afleggende woordvorm afleggen
aflegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afleggen
leg af gebiedende wijs afleggen
legde af verleden tijd afleggen
legden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afleggen
legge af woordvorm afleggen
leggen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afleggen
legt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afleggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afleggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afleggen

Hoe spreek ik afleggen uit?
Zo spreek je afleggen uit: /ˈɑflɛɣə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afleggen?
Afleggen is een werkwoord. De betekenis is: het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afleggen?
Zo vervoeg je afleggen zo: het voltooid deelwoord is afgelegd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afleggen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. L 3
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afleggen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. L 3
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afleggen in het kort

afleggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afleggen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afleggen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afleggen: het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
Deel afleggen — standaardnederlands.nl