Naar de inhoud

uitdoen

uitschakelen

uitdoen

werkwoord ˈœydun

Betekenis

  1. uitschakelen
  2. kleding afleggen

Hoe spreek je uitdoen uit?

/ˈœydun/

Uitdoen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœydun/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
d dak
u boek
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. oogsten door uit de grond te halen transitive

Vervoeging van uitdoen

uitdoenhele werkwoord — deed uitverleden tijd enkelvoud — deden uitverleden tijd meervoud — uitgedaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doe uit deed uit
jij doet uit deed uit
hij, zij, het doet uit deed uit
wij doen uit deden uit
jullie doen uit deden uit
zij doen uit deden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
deed uit verleden tijd
doe uit gebiedende wijs
er is uitgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgedaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgedaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgedaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgedaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgedaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgedaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te doen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal doen bijzin, toekomende tijd
uit zou doen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden doen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt doen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen doen bijzin, toekomende tijd
uit zult doen bijzin, toekomende tijd
uitdeden bijzin, verleden tijd
uitdeed bijzin, verleden tijd
uitdoe bijzin, tegenwoordige tijd
uitdoend onvoltooid, deelwoord
uitdoet bijzin, tegenwoordige tijd
uitgedaan verleden tijd, deelwoord
uitgedaan te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgedaan te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgedaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedaan te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedaan te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedaan worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgedaan zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgedaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgedaan zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgedaan zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitdoen bijzin, toekomende tijd
zal uitgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitdoen bijzin, voorwaardelijk
zou uitgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitdoen uit zou(dt) doen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitdoen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitdoen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitdoen bijzin, toekomende tijd
zullen uitgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en doen ww

Woordfamilie van uitdoen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitdoen
deed uit verleden tijd uitdoen
doe uit gebiedende wijs uitdoen
doen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitdoen
doet uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitdoen
uitdeden subordinate-clause, verleden tijd uitdoen
uitdeed subordinate-clause, verleden tijd uitdoen
uitdoe subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitdoen
uitdoend onvoltooid deelwoord uitdoen
uitdoende woordvorm uitdoen
uitdoet subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitdoen
uitgedaan voltooid deelwoord uitdoen
uitgedane woordvorm uitdoen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdoen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitdoen

Hoe spreek ik uitdoen uit?
Zo spreek je uitdoen uit: /ˈœydun/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitdoen?
Uitdoen is een werkwoord. De betekenis is: uitschakelen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitdoen?
Zo vervoeg je uitdoen zo: het voltooid deelwoord is uitgedaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitdoen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. D 2
  5. O 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitdoen levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 85 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. D 2
  5. O 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 11 zonder bonus
  9. 85 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

uitdoen telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

uitdoen in het kort

uitdoen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitdoen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitdoen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitdoen: uitschakelen
Deel uitdoen — standaardnederlands.nl