aantrekken
werkwoord ˈantrɛkə(n)Betekenis
- een kracht uitoefenen die zaken naar zich toe doet bewegen
- aanlokken
- vaster doen sluiten, vastzetten
- iets ~: kleding aandoen
- een stijgende lijn vertonen
- zich ~ van: zijn gedrag wijzigen naar aanleiding van een uitwendige invloed
- elkaar ~ een attractieve wisselwerking ondergaan
Hoe spreek je aantrekken uit?
/ˈantrɛkən/
Aantrekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen transitive
- een opwaartse trend, een stijgende lijn vertonen ergative
- verliefd worden op
Vervoeging van aantrekken
aantrekkenhele werkwoord — trok aanverleden tijd enkelvoud — trokken aanverleden tijd meervoud — aangetrokkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trek aan | trok aan |
| jij | trekt aan | trok aan |
| hij, zij, het | trekt aan | trok aan |
| wij | trekken aan | trokken aan |
| jullie | trekken aan | trokken aan |
| zij | trekken aan | trokken aan |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te trekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal trekken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen trekken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult trekken | bijzin, toekomende tijd |
| aangetrokken | verleden tijd, deelwoord |
| aangetrokken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangetrokken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangetrokken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangetrokken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangetrokken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangetrokken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangetrokken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangetrokken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangetrokken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangetrokken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aantrek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aantrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| aantrekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aantrok | bijzin, verleden tijd |
| aantrokken | bijzin, verleden tijd |
| ben aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangetrokken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangetrokken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangetrokken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangetrokken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aantrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trek aan | gebiedende wijs |
| trek u/je aan, trekt je aan | gebiedende wijs |
| trok aan | verleden tijd |
| waart aangetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aantrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aantrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aantrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aantrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zal me aantrekken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich aantrekken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je aantrekken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich aangetrokken hebben | verleden tijd |
| zich aantrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aantrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aantrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aantrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aantrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aantrekken aan zou(dt) trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aantrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aantrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aantrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aantrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aantrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aantrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en trekken ww
Woordfamilie van aantrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangetrokken | voltooid deelwoord | aantrekken |
| aantrek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aantrekken |
| aantrekke | with-subordinate-clause | aantrekken |
| aantrekkend | onvoltooid deelwoord | aantrekken |
| aantrekkende | woordvorm | aantrekken |
| aantrekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aantrekken |
| aantrok | subordinate-clause, verleden tijd | aantrekken |
| aantrokken | subordinate-clause, verleden tijd | aantrekken |
| trek aan | gebiedende wijs | aantrekken |
| trekke aan | woordvorm | aantrekken |
| trekken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aantrekken |
| trekt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aantrekken |
| trok aan | verleden tijd | aantrekken |
| trokken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aantrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aantrekken zijn vastgelegd.