aandoen
werkwoord ˈandunBetekenis
- (kleren) aantrekken
- (iemand iets) berokkenen
- (iets) aantasten
- (iemand) ontroeren
- (iemand of iets) bezoeken
- lampen ontsteken, kachel aansteken
Hoe spreek je aandoen uit?
/ˈandun/
Aandoen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| d | dak |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- aantrekken transitive
- berokkenen transitive
- aantasten transitive
- ontroeren transitive
- bezoeken transitive
Vervoeging van aandoen
aandoenhele werkwoord — deed aanverleden tijd enkelvoud — deden aanverleden tijd meervoud — aangedaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doe aan | deed aan |
| jij | doet aan | deed aan |
| hij, zij, het | doet aan | deed aan |
| wij | doen aan | deden aan |
| jullie | doen aan | deden aan |
| zij | doen aan | deden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te doen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal doen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou doen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden doen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt doen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen doen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult doen | bijzin, toekomende tijd |
| aandeden | bijzin, verleden tijd |
| aandeed | bijzin, verleden tijd |
| aandoe | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aandoend | onvoltooid, deelwoord |
| aandoet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aangedaan | verleden tijd, deelwoord |
| aangedaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangedaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangedaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangedaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangedaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangedaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangedaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangedaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangedaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangedaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| deed aan | verleden tijd |
| doe aan | gebiedende wijs |
| er is aangedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangedaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangedaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangedaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangedaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangedaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangedaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aandoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aandoen | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aandoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aandoen aan zou(dt) doen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aandoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aandoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aandoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aandoen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aandoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[1-5] samenstelling van aan vz en doen ww
Woordfamilie van aandoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aandeden | subordinate-clause, verleden tijd | aandoen |
| aandeed | subordinate-clause, verleden tijd | aandoen |
| aandoe | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aandoen |
| aandoend | onvoltooid deelwoord | aandoen |
| aandoende | woordvorm | aandoen |
| aandoet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aandoen |
| deden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aandoen |
| deed aan | verleden tijd | aandoen |
| deedt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aandoen |
| doe aan | gebiedende wijs | aandoen |
| doen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aandoen |
| doet aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aandoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aandoen zijn vastgelegd.