Naar de inhoud

opbrengen

als batig resultaat leveren

opbrengen

werkwoord /'ɔbrɛŋə(n)/

Betekenis

  1. als batig resultaat leveren
  2. regelmatig iets betalen of een andere inspanning leveren
  3. een laag op iets aanbrengen
  4. arresteren, dwingen naar een haven te gaan

Hoe spreek je opbrengen uit?

/ˈɔbrɛŋən/

Opbrengen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔbrɛŋən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
b bak
r rood
ɛ bed
ŋ ding
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opbrengen

opbrengenhele werkwoord — bracht opverleden tijd enkelvoud — brachten opverleden tijd meervoud — opgebrachtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik breng op bracht op
jij brengt op bracht op
hij, zij, het brengt op bracht op
wij brengen op brachten op
jullie brengen op brachten op
zij brengen op brachten op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bracht op verleden tijd
breng op gebiedende wijs
er is opgebracht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgebracht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgebracht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgebracht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgebracht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgebracht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgebracht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgebracht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgebracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgebracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgebracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgebracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebracht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te brengen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen brengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal brengen bijzin, toekomende tijd
op zou brengen bijzin, voorwaardelijk
op zouden brengen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt brengen bijzin, voorwaardelijk
op zullen brengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen brengen bijzin, toekomende tijd
op zult brengen bijzin, toekomende tijd
opbracht bijzin, verleden tijd
opbrachten bijzin, verleden tijd
opbreng bijzin, tegenwoordige tijd
opbrengend onvoltooid, deelwoord
opbrengt bijzin, tegenwoordige tijd
opgebracht verleden tijd, deelwoord
opgebracht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebracht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebracht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebracht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebracht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebracht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebracht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebracht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebracht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebracht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgebracht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opbrengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgebracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgebracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opbrengen bijzin, toekomende tijd
zal opgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgebracht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebracht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opbrengen bijzin, voorwaardelijk
zou opgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opbrengen op zou(dt) brengen bijzin, voorwaardelijk
zouden opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opbrengen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opbrengen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opbrengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opbrengen bijzin, toekomende tijd
zullen opgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebracht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebracht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebracht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en brengen ww

Woordfamilie van opbrengen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bracht op verleden tijd opbrengen
brachten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opbrengen
breng op gebiedende wijs opbrengen
brenge op woordvorm opbrengen
brengen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opbrengen
brengt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opbrengen
opbracht subordinate-clause, verleden tijd opbrengen
opbrachten subordinate-clause, verleden tijd opbrengen
opbreng subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbrengen
opbrenge with-subordinate-clause opbrengen
opbrengend onvoltooid deelwoord opbrengen
opbrengende woordvorm opbrengen
opbrengt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbrengen
opgebracht voltooid deelwoord opbrengen
opgebrachte woordvorm opbrengen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbrengen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opbrengen

Hoe spreek je opbrengen uit?
De uitspraak van opbrengen is: /'ɔbrɛŋə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent opbrengen?
Opbrengen is een werkwoord. Het woord betekent: als batig resultaat leveren. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opbrengen?
Je vervoegt opbrengen als volgt: het voltooid deelwoord is opgebracht. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opbrengen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. R 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opbrengen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. R 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opbrengen in het kort

opbrengen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opbrengen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opbrengen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opbrengen: als batig resultaat leveren
Deel opbrengen — standaardnederlands.nl