Naar de inhoud

opleggen

iets een liggende plaats geven op iets anders

opleggen

werkwoord ˈɔplɛɣə(n)

Betekenis

  1. iets een liggende plaats geven op iets anders
  2. ~ met een laag sierhout aanbrengen op een minder edele ondergrond
  3. iemand iets ~: iemand aan een dwangmaatregel onderwerpen

Hoe spreek je opleggen uit?

/ˈɔplɛxən/

Opleggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔplɛxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
l land
ɛ bed
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opleggen

opleggenhele werkwoord — legde opverleden tijd enkelvoud — legden opverleden tijd meervoud — opgelegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leg op legde op
jij legt op legde op
hij, zij, het legt op legde op
wij leggen op legden op
jullie leggen op legden op
zij leggen op legden op
Alle 206 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgelegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgelegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgelegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgelegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgelegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgelegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
had opgelegd gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgelegd gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgelegd gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgelegd gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgelegd gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgelegd gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt opgelegd gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb opgelegd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben opgelegd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgelegd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgelegd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt opgelegd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft opgelegd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgelegd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kreeg opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
kreeg opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
kreeg opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kreegt opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kregen opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
kregen opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
kregen opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
krijg opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
krijgen opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
krijgen opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
krijgen opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krijgt opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
krijgt opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
leg op gebiedende wijs
legde op verleden tijd
op te leggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal leggen bijzin, toekomende tijd
op zou leggen bijzin, voorwaardelijk
op zouden leggen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt leggen bijzin, voorwaardelijk
op zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen leggen bijzin, toekomende tijd
op zult leggen bijzin, toekomende tijd
opgelegd verleden tijd, deelwoord
opgelegd gekregen hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgelegd gekregen te hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgelegd gekregen te zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelegd gekregen zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgelegd krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgelegd te krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgelegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgelegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgelegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelegd te zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgelegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgelegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgelegd zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgelegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgelegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opleg bijzin, tegenwoordige tijd
oplegde bijzin, verleden tijd
oplegden bijzin, verleden tijd
opleggend onvoltooid, deelwoord
oplegt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben opgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgelegd gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgelegd gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgelegd krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgelegd krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opleggen bijzin, toekomende tijd
zijn opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgelegd gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgelegd gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgelegd gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgelegd krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgelegd krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van op en leggen

Woordfamilie van opleggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
leg op gebiedende wijs opleggen
legde op verleden tijd opleggen
legden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opleggen
legge op woordvorm opleggen
leggen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opleggen
legt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opleggen
oplegde subordinate-clause, verleden tijd opleggen
oplegden subordinate-clause, verleden tijd opleggen
oplegge with-subordinate-clause opleggen
opleggend onvoltooid deelwoord opleggen
opleggende woordvorm opleggen
oplegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opleggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opleggen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over opleggen

Hoe spreek ik opleggen uit?
Zo spreek je opleggen uit: /ˈɔplɛɣə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van opleggen?
Opleggen is een werkwoord. De betekenis is: iets een liggende plaats geven op iets anders. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opleggen?
Zo vervoeg je opleggen zo: het voltooid deelwoord is opgelegd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opleggen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. L 3
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opleggen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. L 3
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opleggen in het kort

opleggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opleggen staan er 121 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opleggen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opleggen: iets een liggende plaats geven op iets anders
Deel opleggen — standaardnederlands.nl