Naar de inhoud

aaneenhechten

aan elkaar vast hechten

aaneenhechten

werkwoord anˈenhɛxtə(n)

Betekenis

  1. aan elkaar vast hechten

Hoe spreek je aaneenhechten uit?

/anˈenhɛxtən/

Aaneenhechten bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /anˈenhɛxtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
e veel
h hoed
ɛ bed
x acht
t tak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Klinkt hetzelfde als aaneenhechtten.

Vervoeging van aaneenhechten

aaneenhechtenhele werkwoord — hechtte aaneenverleden tijd enkelvoud — hechtten aaneenverleden tijd meervoud — aaneengehechtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hecht aaneen hechtte aaneen
jij hecht aaneen hechtte aaneen
hij, zij, het hecht aaneen hechtte aaneen
wij hechten aaneen hechtten aaneen
jullie hechten aaneen hechtten aaneen
zij hechten aaneen hechtten aaneen
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aaneen te hechten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aaneen te zullen hechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aaneen zal hechten bijzin, toekomende tijd
aaneen zou hechten bijzin, voorwaardelijk
aaneen zouden hechten bijzin, voorwaardelijk
aaneen zoudt hechten bijzin, voorwaardelijk
aaneen zullen hechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aaneen zullen hechten bijzin, toekomende tijd
aaneen zult hechten bijzin, toekomende tijd
aaneengehecht verleden tijd, deelwoord
aaneengehecht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aaneengehecht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aaneenhecht bijzin, tegenwoordige tijd
aaneenhechtend onvoltooid, deelwoord
aaneenhechtte bijzin, verleden tijd
aaneenhechtten bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had aaneengehecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aaneengehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aaneengehecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aaneengehecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aaneengehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aaneengehecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aaneengehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aaneengehecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aaneengehecht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aaneengehecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aaneengehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aaneengehecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aaneengehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hecht aaneen gebiedende wijs
hechtte aaneen verleden tijd
heeft aaneengehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aaneengehecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aaneengehecht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aaneenhechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal aaneengehecht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aaneengehecht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aaneengehecht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aaneenhechten bijzin, toekomende tijd
zou aaneengehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aaneengehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aaneengehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aaneenhechten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aaneenhechten aaneen zou(dt) hechten bijzin, voorwaardelijk
zouden aaneengehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aaneengehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aaneengehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aaneenhechten bijzin, voorwaardelijk
zoudt aaneengehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aaneenhechten bijzin, voorwaardelijk
zullen aaneengehecht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aaneengehecht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aaneengehecht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aaneenhechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aaneenhechten bijzin, toekomende tijd
zult aaneengehecht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aaneenhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aaneenhechten bijzin, toekomende tijd
zult/zal aaneenhechten aaneen zult/zal hechten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aaneen en hechten

Woordfamilie van aaneenhechten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aaneengehecht voltooid deelwoord aaneenhechten
aaneengehechte woordvorm aaneenhechten
aaneenhecht subordinate-clause, tegenwoordige tijd aaneenhechten
aaneenhechte with-subordinate-clause aaneenhechten
aaneenhechtend onvoltooid deelwoord aaneenhechten
aaneenhechtende woordvorm aaneenhechten
aaneenhechtte subordinate-clause, verleden tijd aaneenhechten
aaneenhechtten subordinate-clause, verleden tijd aaneenhechten
hecht aaneen gebiedende wijs aaneenhechten
hechte aaneen woordvorm aaneenhechten
hechten aaneen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aaneenhechten
hechtte aaneen verleden tijd aaneenhechten
hechtten aaneen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aaneenhechten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aaneenhechten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over aaneenhechten

Hoe spreek ik aaneenhechten uit?
Zo spreek je aaneenhechten uit: /anˈenhɛxtə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van aaneenhechten?
Aaneenhechten is een werkwoord. De betekenis is: aan elkaar vast hechten.
Hoe vervoeg ik aaneenhechten?
Zo vervoeg je aaneenhechten zo: het voltooid deelwoord is aaneengehecht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aaneenhechten is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. H 4
  8. E 1
  9. C 5
  10. H 4
  11. T 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aaneenhechten levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. H 4
  8. E 1
  9. C 5
  10. H 4
  11. T 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 24 zonder bonus
  15. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aaneenhechten in het kort

aaneenhechten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aaneenhechten staan er 43 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aaneenhechten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aaneenhechten: aan elkaar vast hechten
Deel aaneenhechten — standaardnederlands.nl