aaneenschakelen
werkwoord anˈensxakələ(n)Betekenis
- met schakels verbinden (ook fig.)
Hoe spreek je aaneenschakelen uit?
/anˈensxakələn/
Aaneenschakelen bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| e | veel |
| s | sok |
| x | acht |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aaneenschakelen
aaneenschakelenhele werkwoord — schakelde aaneenverleden tijd enkelvoud — schakelden aaneenverleden tijd meervoud — aaneengeschakeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schakel aaneen | schakelde aaneen |
| jij | schakelt aaneen | schakelde aaneen |
| hij, zij, het | schakelt aaneen | schakelde aaneen |
| wij | schakelen aaneen | schakelden aaneen |
| jullie | schakelen aaneen | schakelden aaneen |
| zij | schakelen aaneen | schakelden aaneen |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aaneen te schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneen te zullen schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneen zal schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zou schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zouden schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zoudt schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zullen schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneen zullen schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zult schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| aaneengeschakeld | verleden tijd, deelwoord |
| aaneengeschakeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneengeschakeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneengeschakeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengeschakeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengeschakeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengeschakeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aaneengeschakeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aaneengeschakeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneengeschakeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneengeschakeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneenschakel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aaneenschakelde | bijzin, verleden tijd |
| aaneenschakelden | bijzin, verleden tijd |
| aaneenschakelend | onvoltooid, deelwoord |
| aaneenschakelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aaneengeschakeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aaneengeschakeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aaneengeschakeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aaneengeschakeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aaneengeschakeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aaneengeschakeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aaneengeschakeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aaneengeschakeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aaneengeschakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schakel aaneen | gebiedende wijs |
| schakelde aaneen | verleden tijd |
| te hebben aaneengeschakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aaneenschakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aaneengeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aaneengeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aaneengeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aaneengeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aaneengeschakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengeschakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aaneenschakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aaneengeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aaneengeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aaneenschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aaneenschakelen aaneen zou(dt) schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aaneengeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aaneengeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aaneengeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneengeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aaneengeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aaneengeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aaneenschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aaneengeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneengeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aaneenschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aaneengeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aaneengeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aaneengeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aaneengeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aaneengeschakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aaneengeschakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aaneengeschakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aaneenschakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aaneenschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aaneenschakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aaneengeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aaneen en schakelen
Woordfamilie van aaneenschakelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aaneenschakel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneenschakelen |
| aaneenschakelde | subordinate-clause, verleden tijd | aaneenschakelen |
| aaneenschakelden | subordinate-clause, verleden tijd | aaneenschakelen |
| aaneenschakele | with-subordinate-clause | aaneenschakelen |
| aaneenschakelend | onvoltooid deelwoord | aaneenschakelen |
| aaneenschakelende | woordvorm | aaneenschakelen |
| aaneenschakelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneenschakelen |
| schakel aaneen | gebiedende wijs | aaneenschakelen |
| schakelde aaneen | verleden tijd | aaneenschakelen |
| schakelden aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aaneenschakelen |
| schakele aaneen | woordvorm | aaneenschakelen |
| schakelen aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aaneenschakelen |
| schakelt aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aaneenschakelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aaneenschakelen zijn vastgelegd.