aaneenbinden
werkwoord anˈenbɪndə(n)Betekenis
- met touw of koord bundelen
- aan elkaar vastbinden (ook fig.)
Hoe spreek je aaneenbinden uit?
/anˈenbɪndən/
Aaneenbinden bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| e | veel |
| b | bak |
| ɪ | pit |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aaneenbinden
aaneenbindenhele werkwoord — bond aaneenverleden tijd enkelvoud — bonden aaneenverleden tijd meervoud — aaneengebondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bind aaneen | bond aaneen |
| jij | bindt aaneen | bond aaneen |
| hij, zij, het | bindt aaneen | bond aaneen |
| wij | binden aaneen | bonden aaneen |
| jullie | binden aaneen | bonden aaneen |
| zij | binden aaneen | bonden aaneen |
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aaneen te binden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneen te zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneen zal binden | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zou binden | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zouden binden | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zoudt binden | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneen zullen binden | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zult binden | bijzin, toekomende tijd |
| aaneenbind | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aaneenbindend | onvoltooid, deelwoord |
| aaneenbindt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aaneenbond | bijzin, verleden tijd |
| aaneenbonden | bijzin, verleden tijd |
| aaneenbondt | bijzin, verleden tijd |
| aaneengebonden | verleden tijd, deelwoord |
| aaneengebonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneengebonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneengebonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengebonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengebonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengebonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aaneengebonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aaneengebonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneengebonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneengebonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bind aaneen | gebiedende wijs |
| bind u/je aaneen, bindt je aaneen | gebiedende wijs |
| bond aaneen | verleden tijd |
| er is aaneengebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aaneengebonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aaneengebonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aaneengebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aaneengebonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aaneengebonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aaneengebonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aaneengebonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aaneengebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aaneengebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aaneenbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aaneengebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aaneengebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aaneenbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zal aaneengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aaneengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aaneengebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aaneengebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me aaneenbinden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich aaneenbinden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je aaneenbinden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich aaneenbindend | onvoltooid, deelwoord |
| zich aaneengebonden hebben | verleden tijd |
| zijn aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aaneengebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aaneenbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aaneengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aaneengebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aaneengebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aaneenbinden aaneen zou(dt) binden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aaneenbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aaneengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aaneengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aaneengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneengebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aaneengebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aaneengebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneengebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aaneengebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aaneengebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aaneenbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aaneengebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneengebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneengebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aaneenbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aaneenbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aaneenbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aaneengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aaneengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aaneengebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van aaneen en binden
Woordfamilie van aaneenbinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aaneenbind | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneenbinden |
| aaneenbinde | with-subordinate-clause | aaneenbinden |
| aaneenbindend | onvoltooid deelwoord | aaneenbinden |
| aaneenbindende | woordvorm | aaneenbinden |
| aaneenbindt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneenbinden |
| aaneenbond | subordinate-clause, verleden tijd | aaneenbinden |
| aaneenbonden | subordinate-clause, verleden tijd | aaneenbinden |
| aaneengebonden | voltooid deelwoord | aaneenbinden |
| bind aaneen | gebiedende wijs | aaneenbinden |
| binde aaneen | woordvorm | aaneenbinden |
| binden aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aaneenbinden |
| bindt aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aaneenbinden |
| bond aaneen | verleden tijd | aaneenbinden |
| bonden aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aaneenbinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aaneenbinden zijn vastgelegd.