aaneenkoppelen
werkwoord anˈenkɔpələ(n)Betekenis
- tot een nieuw geheel samenkoppelen
Hoe spreek je aaneenkoppelen uit?
/anˈenkɔpələn/
Aaneenkoppelen bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| e | veel |
| k | kat |
| ɔ | bot |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aaneenkoppelen
aaneenkoppelenhele werkwoord — koppelde aaneenverleden tijd enkelvoud — koppelden aaneenverleden tijd meervoud — aaneengekoppeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | koppel aaneen | koppelde aaneen |
| jij | koppelt aaneen | koppelde aaneen |
| hij, zij, het | koppelt aaneen | koppelde aaneen |
| wij | koppelen aaneen | koppelden aaneen |
| jullie | koppelen aaneen | koppelden aaneen |
| zij | koppelen aaneen | koppelden aaneen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aaneen te koppelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneen te zullen koppelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneen zal koppelen | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zou koppelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zouden koppelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zoudt koppelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zullen koppelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneen zullen koppelen | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zult koppelen | bijzin, toekomende tijd |
| aaneengekoppeld | verleden tijd, deelwoord |
| aaneengekoppeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengekoppeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneenkoppel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aaneenkoppelde | bijzin, verleden tijd |
| aaneenkoppelden | bijzin, verleden tijd |
| aaneenkoppelend | onvoltooid, deelwoord |
| aaneenkoppelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aaneengekoppeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aaneengekoppeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aaneengekoppeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aaneengekoppeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aaneengekoppeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aaneengekoppeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aaneengekoppeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aaneengekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aaneengekoppeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aaneengekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aaneengekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aaneengekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aaneengekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aaneengekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aaneengekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| koppel aaneen | gebiedende wijs |
| koppelde aaneen | verleden tijd |
| te hebben aaneengekoppeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aaneenkoppelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aaneengekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aaneengekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aaneenkoppelen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aaneengekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aaneenkoppelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aaneenkoppelen aaneen zou(dt) koppelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aaneengekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aaneengekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aaneengekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aaneenkoppelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aaneengekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aaneenkoppelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aaneengekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aaneengekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aaneengekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aaneenkoppelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aaneenkoppelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aaneengekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aaneenkoppelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aaneenkoppelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aaneenkoppelen aaneen zult/zal koppelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aaneen en koppelen
Woordfamilie van aaneenkoppelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aaneengekoppeld | voltooid deelwoord | aaneenkoppelen |
| aaneengekoppelde | woordvorm | aaneenkoppelen |
| aaneenkoppel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneenkoppelen |
| aaneenkoppelde | subordinate-clause, verleden tijd | aaneenkoppelen |
| aaneenkoppelden | subordinate-clause, verleden tijd | aaneenkoppelen |
| aaneenkoppele | with-subordinate-clause | aaneenkoppelen |
| aaneenkoppelend | onvoltooid deelwoord | aaneenkoppelen |
| aaneenkoppelende | woordvorm | aaneenkoppelen |
| aaneenkoppelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneenkoppelen |
| koppel aaneen | gebiedende wijs | aaneenkoppelen |
| koppelde aaneen | verleden tijd | aaneenkoppelen |
| koppelden aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aaneenkoppelen |
| koppele aaneen | woordvorm | aaneenkoppelen |
| koppelen aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aaneenkoppelen |
| koppelt aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aaneenkoppelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aaneenkoppelen zijn vastgelegd.