aaneenhangen
werkwoord anˈenhɑŋə(n)Betekenis
- losjes aan elkaar hangen, vooral figuurlijk
Hoe spreek je aaneenhangen uit?
/anˈenhɑŋən/
Aaneenhangen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| e | veel |
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aaneenhangen
aaneenhangenhele werkwoord — hing aaneenverleden tijd enkelvoud — hingen aaneenverleden tijd meervoud — aaneengehangenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hang aaneen | hing aaneen |
| jij | hangt aaneen | hing aaneen |
| hij, zij, het | hangt aaneen | hing aaneen |
| wij | hangen aaneen | hingen aaneen |
| jullie | hangen aaneen | hingen aaneen |
| zij | hangen aaneen | hingen aaneen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aaneen te hangen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneen te zullen hangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneen zal hangen | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zou hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zouden hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zoudt hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zullen hangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneen zullen hangen | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zult hangen | bijzin, toekomende tijd |
| aaneengehangen | verleden tijd, deelwoord |
| aaneengehangen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengehangen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneenhang | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aaneenhangend | onvoltooid, deelwoord |
| aaneenhangt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aaneenhing | bijzin, verleden tijd |
| aaneenhingen | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aaneengehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aaneengehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aaneengehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aaneengehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aaneengehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aaneengehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aaneengehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hang aaneen | gebiedende wijs |
| heb aaneengehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aaneengehangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aaneengehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aaneengehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aaneengehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aaneengehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aaneengehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aaneengehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hing aaneen | verleden tijd |
| te hebben aaneengehangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aaneenhangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aaneengehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aaneengehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aaneenhangen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aaneengehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aaneenhangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aaneenhangen aaneen zou(dt) hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aaneengehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aaneengehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aaneengehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aaneenhangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aaneengehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aaneenhangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aaneengehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aaneengehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aaneengehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aaneenhangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aaneenhangen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aaneengehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aaneenhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aaneenhangen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aaneenhangen aaneen zult/zal hangen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aaneen bw en hangen ww
Woordfamilie van aaneenhangen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aaneengehangen | voltooid deelwoord | aaneenhangen |
| aaneenhang | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneenhangen |
| aaneenhange | with-subordinate-clause | aaneenhangen |
| aaneenhangend | onvoltooid deelwoord | aaneenhangen |
| aaneenhangende | woordvorm | aaneenhangen |
| aaneenhangt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneenhangen |
| aaneenhing | subordinate-clause, verleden tijd | aaneenhangen |
| aaneenhingen | subordinate-clause, verleden tijd | aaneenhangen |
| hang aaneen | gebiedende wijs | aaneenhangen |
| hange aaneen | woordvorm | aaneenhangen |
| hangen aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aaneenhangen |
| hangt aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aaneenhangen |
| hing aaneen | verleden tijd | aaneenhangen |
| hingen aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aaneenhangen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aaneenhangen zijn vastgelegd.