zucht
zelfstandig naamwoord, werkwoord zʏxtBetekenis
- ziekelijke of overmatige zwelling door opeenhoping van vocht in het menselijk of dierlijk lichaam, waterzucht
- ziekelijke onbedwingbare drang, verslaving, begeerte
- eerste afscheiding van melk in de borsten van een zwangere vrouw
- hoorbare uitademing, meestal als uiting van ongenoegen of verveling
- tocht, luchtstroom
Hoe spreek je zucht uit?
/zʏxt/
Zucht bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ʏ | put |
| x | acht |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zuchten | meervoud |
| zuchtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zuchtjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zuchten | meervoud |
| zuchtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zuchtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van zuchten
- gebiedende wijs van zuchten
Vervoeging van zucht
zuchthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘sterke uitademing’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van zucht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zuchtje | verkleinwoord | zucht |
| zuchtjes | verkleinwoord meervoud | zucht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zucht zijn vastgelegd.