beroemen
werkwoord /beˈrumə(n)/Betekenis
- zich ~ op: krediet opeisen op basis van beweringen van verworvenheden of kunde
Hoe spreek je beroemen uit?
/beˈrumən/
Beroemen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| r | rood |
| u | boek |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beroemen
beroemenhele werkwoord — beroemdeverleden tijd enkelvoud — beroemdenverleden tijd meervoud — beroemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beroem | beroemde |
| jij | beroemt | beroemde |
| hij, zij, het | beroemt | beroemde |
| wij | beroemen | beroemden |
| jullie | beroemen | beroemden |
| zij | beroemen | beroemden |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beroem | gebiedende wijs |
| beroem me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beroem u/je , beroemt je | gebiedende wijs |
| beroemd | verleden tijd, deelwoord |
| beroemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beroemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beroemde | verleden tijd |
| beroemde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beroemde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beroemde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beroemde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beroemde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beroemde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beroemde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beroemden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beroemden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| beroemden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| beroeme | aanvoegende wijs |
| beroeme zich | aanvoegende wijs |
| beroemen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beroemen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beroemen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beroemend | onvoltooid, deelwoord |
| beroemt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beroemt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beroemt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beroemt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beroemt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beroemt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beroemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beroemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beroemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beroemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beroemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beroemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beroemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beroemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beroemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beroemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beroemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me beroemen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich beroemen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je beroemen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich beroemd hebben | verleden tijd |
| zich beroemend | onvoltooid, deelwoord |
| zou beroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beroemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen je beroemen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons beroemen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich beroemen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult beroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beroemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u beroemen | tweede persoon |
| zult u beroemen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u beroemen | tweede persoon |
| zult zich/u beroemen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van roem met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beroemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beroem | gebiedende wijs | beroemen |
| beroemden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beroemen |
| beroeme | aanvoegende wijs | beroemen |
| beroemend | onvoltooid deelwoord | beroemen |
| beroemende | woordvorm | beroemen |
| beroemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beroemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beroemen zijn vastgelegd.