zoeten
werkwoord ˈzutə(n)Betekenis
- zoet maken
Hoe spreek je zoeten uit?
/ˈzutən/
Zoeten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| u | boek |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als zoetten.
Vervoeging van zoeten
zoetenhele werkwoord — zoetteverleden tijd enkelvoud — zoettenverleden tijd meervoud — gezoetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zoet | zoette |
| jij | zoet | zoette |
| hij, zij, het | zoet | zoette |
| wij | zoeten | zoetten |
| jullie | zoeten | zoetten |
| zij | zoeten | zoetten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezoet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezoet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezoet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezoet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezoet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezoet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezoet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezoet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezoet | verleden tijd, deelwoord |
| gezoet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezoet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezoet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezoet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezoet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezoet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezoet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezoet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezoet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezoet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezoet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezoet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezoet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezoet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezoet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezoet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezoet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezoet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezoet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zoeten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zoeten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezoet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezoet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezoet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezoet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezoet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezoet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezoet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezoet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezoet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezoet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezoet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezoet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezoet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezoet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezoet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezoet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezoet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezoet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezoet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezoet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezoet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezoet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezoet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezoet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezoet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezoet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zoet | gebiedende wijs |
| zoete | aanvoegende wijs |
| zoetend | onvoltooid, deelwoord |
| zoette | verleden tijd |
| zou gezoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezoet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezoet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezoet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezoet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezoet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezoet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezoet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezoet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezoet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezoet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezoet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezoet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezoet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zoeten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezoet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezoet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezoet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afleiding van zoet.
Woordfamilie van zoeten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezoet | voltooid deelwoord | zoeten |
| gezoete | woordvorm | zoeten |
| zoetend | onvoltooid deelwoord | zoeten |
| zoetende | woordvorm | zoeten |
| zoette | verleden tijd | zoeten |
| zoetten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zoeten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zoeten zijn vastgelegd.