ontmoeten
werkwoord ɔntˈmutə(n)Betekenis
- met iemand kennismaken en een gesprek voeren
Hoe spreek je ontmoeten uit?
/ɔntˈmutən/
Ontmoeten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| m | maan |
| u | boek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontmoeten
ontmoetenhele werkwoord — ontmoetteverleden tijd enkelvoud — ontmoettenverleden tijd meervoud — ontmoetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontmoet | ontmoette |
| jij | ontmoet | ontmoette |
| hij, zij, het | ontmoet | ontmoette |
| wij | ontmoeten | ontmoetten |
| jullie | ontmoeten | ontmoetten |
| zij | ontmoeten | ontmoetten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontmoet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontmoet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontmoet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontmoet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontmoet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontmoet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontmoet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontmoet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontmoet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontmoet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontmoet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontmoet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontmoet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontmoet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontmoet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontmoet | gebiedende wijs |
| ontmoet | verleden tijd, deelwoord |
| ontmoet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontmoet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontmoete | aanvoegende wijs |
| ontmoetend | onvoltooid, deelwoord |
| ontmoette | verleden tijd |
| te hebben ontmoet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontmoeten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontmoeten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontmoet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontmoet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontmoet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontmoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontmoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontmoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontmoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontmoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontmoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontmoet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontmoet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontmoet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontmoet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontmoeten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontmoet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontmoeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘toevallig tegenkomen’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van ontmoeten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontmoet | voltooid deelwoord | ontmoeten |
| ontmoete | aanvoegende wijs | ontmoeten |
| ontmoetend | onvoltooid deelwoord | ontmoeten |
| ontmoetende | woordvorm | ontmoeten |
| ontmoette | verleden tijd | ontmoeten |
| ontmoetten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontmoeten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontmoeten zijn vastgelegd.