moeten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈmutənBetekenis
- gedwongen zijn
Hoe spreek je moeten uit?
/ˈmutən/
Moeten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| u | boek |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- : gedwongen/genoodzaakt zijn om modal, verb
- : verplicht zijn om modal, verb
- mogelijk zijn, mogen ww [6], in deze betekenis alleen in de onvoltooid verleden tijd modal, verb
- modaal werkwoord: zeer dringend noodzakelijk zijn
Vervoeging van moeten
moetenhele werkwoord — moestverleden tijd enkelvoud — moestenverleden tijd meervoud — gemoetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | moet | moest |
| jij | moet | moest |
| hij, zij, het | moet | moest |
| wij | moeten | moesten |
| jullie | moeten | moesten |
| zij | moeten | moesten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemoeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemoeten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemoeten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemoeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemoeten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemoeten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemoeten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemoeten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemoeten | verleden tijd, deelwoord |
| gemoeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemoeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemoeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemoeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemoeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemoeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemoeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemoeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemoeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemoeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemoeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemoeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemoeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemoeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemoeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemoeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemoeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| moest | verleden tijd |
| moet | gebiedende wijs |
| moete | aanvoegende wijs |
| moetend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemoeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te moeten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen moeten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemoeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemoeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemoeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal moeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal moeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal moeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemoeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemoeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemoeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou moeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou moeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou moeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemoeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemoeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemoeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden moeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden moeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden moeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemoeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt moeten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemoeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemoeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemoeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen moeten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen moeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen moeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen moeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemoeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult moeten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord moet
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘mogelijk zijn, kunnen’ aangetroffen vanaf 1100, in die van ‘verplicht zijn, behoren’ vanaf 1201
Woordfamilie van moeten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemoeten | voltooid deelwoord | moeten |
| moesten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | moeten |
| moete | aanvoegende wijs | moeten |
| moetend | onvoltooid deelwoord | moeten |
| moetende | woordvorm | moeten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van moeten zijn vastgelegd.