zeuren
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈzøː.rə(n)/Betekenis
- veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken en zonder het probleem aan te pakken
Hoe spreek je zeuren uit?
/ˈzørən/
Zeuren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ø | deur |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- op een bedrieglijke manier proberen een spelletje te winnen obsolete, unergative
Vervoeging van zeuren
zeurenhele werkwoord — zeurdeverleden tijd enkelvoud — zeurdenverleden tijd meervoud — gezeurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeur | zeurde |
| jij | zeurt | zeurde |
| hij, zij, het | zeurt | zeurde |
| wij | zeuren | zeurden |
| jullie | zeuren | zeurden |
| zij | zeuren | zeurden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gezeurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezeurd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezeurd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezeurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezeurd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezeurd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezeurd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezeurd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezeurd | verleden tijd, deelwoord |
| gezeurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezeurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezeurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezeurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezeurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezeurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezeurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezeurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezeurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezeurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezeurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezeurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezeurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezeurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zeuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zeuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezeurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezeurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezeurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zeur | gebiedende wijs |
| zeurde | verleden tijd |
| zeure | aanvoegende wijs |
| zeurend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezeurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezeurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezeurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezeurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezeurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezeurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezeurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezeurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezeurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezeurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zeuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezeurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zeuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zeur
Herkomst
herkomst onzeker, in de betekenis van ‘zaniken’ voor het eerst aangetroffen vanaf 1777
Woordfamilie van zeuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezeurd | voltooid deelwoord | zeuren |
| zeurde | verleden tijd | zeuren |
| zeurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zeuren |
| zeure | aanvoegende wijs | zeuren |
| zeurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zeuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeuren zijn vastgelegd.