Naar de inhoud

sabbelen

likken en zuigen aan iets

sabbelen

werkwoord

Betekenis

  1. likken en zuigen aan iets

Vervoeging van sabbelen

sabbelenhele werkwoord — sabbeldeverleden tijd enkelvoud — sabbeldenverleden tijd meervoud — gesabbeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sabbel sabbelde
jij sabbelt sabbelde
hij, zij, het sabbelt sabbelde
wij sabbelen sabbelden
jullie sabbelen sabbelden
zij sabbelen sabbelden
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gesabbeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesabbeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesabbeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesabbeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesabbeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesabbeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesabbeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesabbeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesabbeld verleden tijd, deelwoord
gesabbeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesabbeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesabbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sabbel gebiedende wijs
sabbelde verleden tijd
sabbele aanvoegende wijs
sabbelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesabbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te sabbelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen sabbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zabbelen
zal gesabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gesabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen sabbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult sabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘kluivend zuigen’ voor het eerst aangetroffen in 1591

Woordfamilie van sabbelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesabbeld voltooid deelwoord sabbelen
sabbel gebiedende wijs sabbelen
sabbelde verleden tijd sabbelen
sabbelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon sabbelen
sabbele aanvoegende wijs sabbelen
sabbelend onvoltooid deelwoord sabbelen
sabbelende woordvorm sabbelen
sabbelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon sabbelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sabbelen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over sabbelen

Wat betekent sabbelen?
Sabbelen is een werkwoord. Het woord betekent: likken en zuigen aan iets.
Hoe vervoeg je sabbelen?
Je vervoegt sabbelen als volgt: de tegenwoordige tijd is sabbel, de verleden tijd is sabbelde en het voltooid deelwoord is gesabbeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord sabbelen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. A 1
  3. B 3
  4. B 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

sabbelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. A 1
  3. B 4
  4. B 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

sabbelen in het kort

sabbelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van sabbelen zijn 41 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort sabbelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

sabbelen: likken en zuigen aan iets
Deel sabbelen — standaardnederlands.nl