warrelen
werkwoord /ˈwɑrələ(n)/Betekenis
- zich door elkaar bewegen
Hoe spreek je warrelen uit?
/ˈwɑrələn/
Warrelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van warrelen
warrelenhele werkwoord — warreldeverleden tijd enkelvoud — warreldenverleden tijd meervoud — gewarreldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | warrel | warrelde |
| jij | warrelt | warrelde |
| hij, zij, het | warrelt | warrelde |
| wij | warrelen | warrelden |
| jullie | warrelen | warrelden |
| zij | warrelen | warrelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewarreld | verleden tijd, deelwoord |
| gewarreld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewarreld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewarreld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewarreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewarreld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewarreld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewarreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewarreld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewarreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewarreld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewarreld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te warrelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen warrelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| warrel | gebiedende wijs |
| warrelde | verleden tijd |
| warrele | aanvoegende wijs |
| warrelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewarreld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewarreld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewarreld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewarreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewarreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewarreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewarreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewarreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewarreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewarreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewarreld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewarreld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewarreld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen warrelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewarreld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult warrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zich door elkaar bewegen’ voor het eerst aangetroffen in 1660
Woordfamilie van warrelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewarreld | voltooid deelwoord | warrelen |
| warrelde | verleden tijd | warrelen |
| warrelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | warrelen |
| warrele | aanvoegende wijs | warrelen |
| warrelend | onvoltooid deelwoord | warrelen |
| warrelende | woordvorm | warrelen |
| warrelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | warrelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van warrelen zijn vastgelegd.