vouwen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- twee delen over een naad tezamen buigen
Vervoeging van vouwen
vouwenhele werkwoord — vouwdeverleden tijd enkelvoud — vouwdenverleden tijd meervoud — gevouwenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vouw | vouwde |
| jij | vouwt | vouwde |
| hij, zij, het | vouwt | vouwde |
| wij | vouwen | vouwden |
| jullie | vouwen | vouwden |
| zij | vouwen | vouwden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gevouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevouwen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevouwen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevouwen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevouwen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevouwen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevouwen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevouwen | verleden tijd, deelwoord |
| gevouwen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevouwen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevouwen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevouwen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevouwen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevouwen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevouwen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevouwen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevouwen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevouwen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vouw | gebiedende wijs |
| vouwde | verleden tijd |
| vouwe | aanvoegende wijs |
| vouwend | onvoltooid, deelwoord |
| waren gevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vouw
Herkomst
In de betekenis van ‘delen over elkaar leggen’ voor het eerst aangetroffen in 1277
Woordfamilie van vouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevouwen | voltooid deelwoord | vouwen |
| vouwde | verleden tijd | vouwen |
| vouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vouwen |
| vouwend | onvoltooid deelwoord | vouwen |
| vouwende | woordvorm | vouwen |
| vouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vouwen zijn vastgelegd.