vormgeven
werkwoord /ˈvɔrᵊmɣevə(n)/Betekenis
- bepalen hoe iets eruit gaat zien
Hoe spreek je vormgeven uit?
/ˈvɔrəmxevən/
Vormgeven bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| m | maan |
| x | acht |
| e | veel |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vormgeven
vormgevenhele werkwoord — gaf vormverleden tijd enkelvoud — gaven vormverleden tijd meervoud — vormgegevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geef vorm | gaf vorm |
| jij | geeft vorm | gaaft vorm |
| hij, zij, het | geeft vorm | gaf vorm |
| wij | geven vorm | gaven vorm |
| jullie | geven vorm | gaven vorm |
| zij | geven vorm | gaven vorm |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gaf vorm | verleden tijd |
| geef vorm | gebiedende wijs |
| had vormgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vormgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vormgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vormgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vormgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vormgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vormgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vormgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vormgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vormgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vormgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vormgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vormgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vormgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vormgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vormgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vormgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vorm te geven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vorm te zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vorm zal geven | bijzin, toekomende tijd |
| vorm zou geven | bijzin, voorwaardelijk |
| vorm zouden geven | bijzin, voorwaardelijk |
| vorm zoudt geven | bijzin, voorwaardelijk |
| vorm zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vorm zullen geven | bijzin, toekomende tijd |
| vorm zult geven | bijzin, toekomende tijd |
| vormgaaft | bijzin, verleden tijd |
| vormgaf | bijzin, verleden tijd |
| vormgaven | bijzin, verleden tijd |
| vormgeef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vormgeeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vormgegeven | verleden tijd, deelwoord |
| vormgegeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vormgegeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vormgevend | onvoltooid, deelwoord |
| zal vormgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vormgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vormgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vormgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zou vormgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vormgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vormgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vormgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vormgeven vorm zou(dt) geven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vormgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vormgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vormgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vormgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vormgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vormgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vormgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vormgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vormgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vormgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vormgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult vormgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vormgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vormgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vormgeven vorm zult/zal geven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vorm zn en geven ww
Woordfamilie van vormgeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaf vorm | verleden tijd | vormgeven |
| gaven vorm | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vormgeven |
| geef vorm | gebiedende wijs | vormgeven |
| geeft vorm | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vormgeven |
| geve vorm | woordvorm | vormgeven |
| geven vorm | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vormgeven |
| vormgaf | subordinate-clause, verleden tijd | vormgeven |
| vormgaven | subordinate-clause, verleden tijd | vormgeven |
| vormgeef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vormgeven |
| vormgeeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vormgeven |
| vormgegeven | voltooid deelwoord | vormgeven |
| vormgeve | with-subordinate-clause | vormgeven |
| vormgevend | onvoltooid deelwoord | vormgeven |
| vormgevende | woordvorm | vormgeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vormgeven zijn vastgelegd.