Naar de inhoud

volladen

de vrachtruimte van een vervoermiddel tot het maximum vullen

volladen

werkwoord

Betekenis

  1. de vrachtruimte van een vervoermiddel tot het maximum vullen
  2. de laadcapaciteit van een accu tot het maximum vullen

Vervoeging van volladen

volladenhele werkwoord — laadde volverleden tijd enkelvoud — laadden volverleden tijd meervoud — volgeladenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik laad vol laadde vol
jij laadt vol laadde vol
hij, zij, het laadt vol laadde vol
wij laden vol laadden vol
jullie laden vol laadden vol
zij laden vol laadden vol
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had volgeladen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had volgeladen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had volgeladen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden volgeladen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden volgeladen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden volgeladen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt volgeladen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb volgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volgeladen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben volgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben volgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt volgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
laad vol gebiedende wijs
laadde vol verleden tijd
te hebben volgeladen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen volladen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol te laden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vol te zullen laden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol zal laden bijzin, toekomende tijd
vol zou laden bijzin, voorwaardelijk
vol zouden laden bijzin, voorwaardelijk
vol zoudt laden bijzin, voorwaardelijk
vol zullen laden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vol zullen laden bijzin, toekomende tijd
vol zult laden bijzin, toekomende tijd
volgeladen verleden tijd, deelwoord
volgeladen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
volgeladen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vollaad bijzin, tegenwoordige tijd
vollaadde bijzin, verleden tijd
vollaadden bijzin, verleden tijd
vollaadt bijzin, tegenwoordige tijd
volladend onvoltooid, deelwoord
zal volgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal volgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal volgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal volladen bijzin, toekomende tijd
zou volgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou volgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou volgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou volladen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) volladen vol zou(dt) laden bijzin, voorwaardelijk
zouden volgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden volgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden volgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden volladen bijzin, voorwaardelijk
zoudt volgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt volladen bijzin, voorwaardelijk
zullen volgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen volgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen volgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen volladen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen volladen bijzin, toekomende tijd
zult volgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult volladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult volladen bijzin, toekomende tijd
zult/zal volladen vol zult/zal laden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vol en laden

Woordfamilie van volladen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
laad vol gebiedende wijs volladen
laadde vol verleden tijd volladen
laadden vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon volladen
laadt vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon volladen
lade vol woordvorm volladen
laden vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon volladen
volgeladen voltooid deelwoord volladen
vollaad subordinate-clause, tegenwoordige tijd volladen
vollaadde subordinate-clause, verleden tijd volladen
vollaadden subordinate-clause, verleden tijd volladen
vollaadt subordinate-clause, tegenwoordige tijd volladen
vollade with-subordinate-clause volladen
volladend onvoltooid deelwoord volladen
volladende woordvorm volladen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van volladen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over volladen

Wat betekent volladen?
Volladen is een werkwoord. Het woord betekent: de vrachtruimte van een vervoermiddel tot het maximum vullen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je volladen?
Je vervoegt volladen als volgt: het voltooid deelwoord is volgeladen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord volladen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. L 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

volladen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. L 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

volladen in het kort

volladen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van volladen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort volladen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

volladen: de vrachtruimte van een vervoermiddel tot het maximum vullen
Deel volladen — standaardnederlands.nl