vloeien
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈvlujə(n)Betekenis
- zacht stromen
- ~ van papier: inkt opzuigen
- met vloeipapier droogmaken
Hoe spreek je vloeien uit?
/ˈvlujən/
Vloeien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| u | boek |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- inkt opzuigen unergative
- bloeden uit je vagina (bij menstruatie of door een aandoening) ergative
Vervoeging van vloeien
vloeienhele werkwoord — vloeideverleden tijd enkelvoud — vloeidenverleden tijd meervoud — gevloeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vloei | vloeide |
| jij | vloeit | vloeide |
| hij, zij, het | vloeit | vloeide |
| wij | vloeien | vloeiden |
| jullie | vloeien | vloeiden |
| zij | vloeien | vloeiden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevloeid | verleden tijd, deelwoord |
| gevloeid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevloeid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevloeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevloeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevloeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevloeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevloeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevloeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vloeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vloei | gebiedende wijs |
| vloeide | verleden tijd |
| vloeie | aanvoegende wijs |
| vloeiend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vloei
Herkomst
van Middelnederlands vloeyen, in de betekenis van ‘stromen’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van vloeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevloeid | voltooid deelwoord | vloeien |
| gevloeide | woordvorm | vloeien |
| vloeide | verleden tijd | vloeien |
| vloeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vloeien |
| vloeie | aanvoegende wijs | vloeien |
| vloeit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vloeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vloeien zijn vastgelegd.