stoeien
werkwoord ˈstujə(n)Betekenis
- op speelse manier met elkaar vechten.
- ergens vrijblijvend of spelend mee omgaan.
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je stoeien uit?
/ˈstujən/
Stoeien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| u | boek |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van stoeien
stoeienhele werkwoord — stoeideverleden tijd enkelvoud — stoeidenverleden tijd meervoud — gestoeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stoei | stoeide |
| jij | stoeit | stoeide |
| hij, zij, het | stoeit | stoeide |
| wij | stoeien | stoeiden |
| jullie | stoeien | stoeiden |
| zij | stoeien | stoeiden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gestoeid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestoeid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestoeid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestoeid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestoeid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestoeid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestoeid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestoeid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestoeid | verleden tijd, deelwoord |
| gestoeid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestoeid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestoeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestoeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestoeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestoeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestoeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestoeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestoeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stoei | gebiedende wijs |
| stoeide | verleden tijd |
| stoeie | aanvoegende wijs |
| stoeiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestoeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stoeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stoeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestoeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stoeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestoeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stoeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘dartelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Woordfamilie van stoeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestoeid | voltooid deelwoord | stoeien |
| stoei | gebiedende wijs | stoeien |
| stoeide | verleden tijd | stoeien |
| stoeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stoeien |
| stoeie | aanvoegende wijs | stoeien |
| stoeiend | onvoltooid deelwoord | stoeien |
| stoeiende | woordvorm | stoeien |
| stoeit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stoeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stoeien zijn vastgelegd.