vervroegen
werkwoord vərˈvruɣənBetekenis
- iets eerder laten plaatsvinden
Hoe spreek je vervroegen uit?
/vərˈvruxən/
Vervroegen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| u | boek |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vervroegen
vervroegenhele werkwoord — vervroegdeverleden tijd enkelvoud — vervroegdenverleden tijd meervoud — vervroegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vervroeg | vervroegde |
| jij | vervroegt | vervroegde |
| hij, zij, het | vervroegt | vervroegde |
| wij | vervroegen | vervroegden |
| jullie | vervroegen | vervroegden |
| zij | vervroegen | vervroegden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vervroegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vervroegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vervroegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vervroegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vervroegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vervroegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vervroegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vervroegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vervroegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vervroegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vervroegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vervroegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vervroegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vervroegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vervroegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vervroegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vervroegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vervroegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vervroegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervroeg | gebiedende wijs |
| vervroegd | verleden tijd, deelwoord |
| vervroegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vervroegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vervroegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervroegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervroegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervroegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vervroegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vervroegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervroegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervroegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervroegde | verleden tijd |
| vervroege | aanvoegende wijs |
| vervroegend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vervroegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vervroegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vervroegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vervroegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vervroegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vervroegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vervroegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vervroegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vervroegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vervroegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vervroegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vervroegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vervroegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vervroegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vervroegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vervroegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vervroegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vervroegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vervroegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vervroegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vervroegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vervroegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vervroegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervroegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vervroegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vervroegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vervroegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vervroegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vervroegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vervroegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vervroegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vervroegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vervroegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vervroegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vervroegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vervroegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vervroegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vervroegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vervroegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van vroeg met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van vervroegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vervroeg | gebiedende wijs | vervroegen |
| vervroegd | voltooid deelwoord | vervroegen |
| vervroegde | verleden tijd | vervroegen |
| vervroegden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vervroegen |
| vervroege | aanvoegende wijs | vervroegen |
| vervroegend | onvoltooid deelwoord | vervroegen |
| vervroegende | woordvorm | vervroegen |
| vervroegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vervroegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vervroegen zijn vastgelegd.