samenvoegen
werkwoord ˈsamə(n)ˌvuɣə(n)Betekenis
- bij elkaar doen
Hoe spreek je samenvoegen uit?
/ˈsamənˌvuxən/
Samenvoegen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| v | vis |
| u | boek |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van samenvoegen
samenvoegenhele werkwoord — voegde samenverleden tijd enkelvoud — voegden samenverleden tijd meervoud — samengevoegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voeg samen | voegde samen |
| jij | voegt samen | voegde samen |
| hij, zij, het | voegt samen | voegde samen |
| wij | voegen samen | voegden samen |
| jullie | voegen samen | voegden samen |
| zij | voegen samen | voegden samen |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is samengevoegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was samengevoegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd samengevoegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt samengevoegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal samengevoegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal samengevoegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou samengevoegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou samengevoegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had samengevoegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had samengevoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had samengevoegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden samengevoegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden samengevoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden samengevoegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt samengevoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengevoegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te voegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen voegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal voegen | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou voegen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden voegen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt voegen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen voegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen voegen | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult voegen | bijzin, toekomende tijd |
| samengevoegd | verleden tijd, deelwoord |
| samengevoegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samengevoegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samengevoegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengevoegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengevoegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengevoegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| samengevoegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| samengevoegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samengevoegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samengevoegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenvoeg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenvoegde | bijzin, verleden tijd |
| samenvoegden | bijzin, verleden tijd |
| samenvoegend | onvoltooid, deelwoord |
| samenvoegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben samengevoegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenvoegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voeg samen | gebiedende wijs |
| voegde samen | verleden tijd |
| waart samengevoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengevoegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren samengevoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengevoegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was samengevoegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was samengevoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was samengevoegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt samengevoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal samengevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal samengevoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengevoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenvoegen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt samengevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou samengevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengevoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengevoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengevoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenvoegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samenvoegen samen zou(dt) voegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samengevoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengevoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengevoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenvoegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samengevoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenvoegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samengevoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samengevoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengevoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengevoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samenvoegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenvoegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van samen en voegen
Woordfamilie van samenvoegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samengevoegd | voltooid deelwoord | samenvoegen |
| samengevoegde | woordvorm | samenvoegen |
| samenvoeg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenvoegen |
| samenvoegde | subordinate-clause, verleden tijd | samenvoegen |
| samenvoegden | subordinate-clause, verleden tijd | samenvoegen |
| samenvoege | with-subordinate-clause | samenvoegen |
| samenvoegend | onvoltooid deelwoord | samenvoegen |
| samenvoegende | woordvorm | samenvoegen |
| samenvoegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenvoegen |
| voeg samen | gebiedende wijs | samenvoegen |
| voegde samen | verleden tijd | samenvoegen |
| voegden samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samenvoegen |
| voege samen | woordvorm | samenvoegen |
| voegen samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenvoegen |
| voegt samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samenvoegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenvoegen zijn vastgelegd.