beploegen
werkwoord bəˈpluɣə(n)Betekenis
- geschikt maken voor de verbouw van gewassen door de bovenste bodemlaag te keren
- bewerken of met inspanning doorkruisen
Hoe spreek je beploegen uit?
/bəˈpluxən/
Beploegen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| p | pak |
| l | land |
| u | boek |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beploegen
beploegenhele werkwoord — beploegdeverleden tijd enkelvoud — beploegdenverleden tijd meervoud — beploegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beploeg | beploegde |
| jij | beploegt | beploegde |
| hij, zij, het | beploegt | beploegde |
| wij | beploegen | beploegden |
| jullie | beploegen | beploegden |
| zij | beploegen | beploegden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beploeg | gebiedende wijs |
| beploegd | verleden tijd, deelwoord |
| beploegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beploegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beploegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beploegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beploegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beploegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beploegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beploegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beploegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beploegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beploegde | verleden tijd |
| beploege | aanvoegende wijs |
| beploegend | onvoltooid, deelwoord |
| er is beploegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beploegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beploegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beploegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beploegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beploegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beploegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beploegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beploegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beploegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beploegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beploegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beploegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beploegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beploegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beploegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beploegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beploegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beploegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beploegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beploegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beploegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van ploegen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beploegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beploeg | gebiedende wijs | beploegen |
| beploegd | voltooid deelwoord | beploegen |
| beploegde | verleden tijd | beploegen |
| beploegden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beploegen |
| beploege | aanvoegende wijs | beploegen |
| beploegend | onvoltooid deelwoord | beploegen |
| beploegende | woordvorm | beploegen |
| beploegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beploegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beploegen zijn vastgelegd.