koper
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkopərBetekenis
- persoon die koopt
- een scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29. Het is een roodgeel overgangsmetaal
Hoe spreek je koper uit?
/ˈkopər/
Koper bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- persoon die koopt, mannelijke vorm van koopster
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kopers | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koperen
- gebiedende wijs van koperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koperen
Vervoeging van koper
koperhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘metaal’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van koper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kopers | enkelvoud | koper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koper zijn vastgelegd.