verkoperen
werkwoordBetekenis
- een voorwerp bedekken met een dun laagje koper
Vervoeging van verkoperen
verkoperenhele werkwoord — verkoperdeverleden tijd enkelvoud — verkoperdenverleden tijd meervoud — verkoperdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verkoper | verkoperde |
| jij | verkopert | verkoperde |
| hij, zij, het | verkopert | verkoperde |
| wij | verkoperen | verkoperden |
| jullie | verkoperen | verkoperden |
| zij | verkoperen | verkoperden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verkoperd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verkoperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verkoperd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verkoperd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verkoperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verkoperd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verkoperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verkoperd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkoperd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verkoperd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkoperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verkoperd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verkoperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkoperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkoperd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verkoperd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verkoperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verkoperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkoper | gebiedende wijs |
| verkoperd | verleden tijd, deelwoord |
| verkoperd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkoperd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkoperde | verleden tijd |
| verkopere | aanvoegende wijs |
| verkoperend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verkoperd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkoperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verkoperd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verkoperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkoperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkoperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verkoperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkoperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkoperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verkoperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verkoperd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkoperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkoperd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkoperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verkoperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkoperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van koper met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verkoperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkoperd | voltooid deelwoord | verkoperen |
| verkoperde | verleden tijd | verkoperen |
| verkoperden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verkoperen |
| verkopere | aanvoegende wijs | verkoperen |
| verkoperend | onvoltooid deelwoord | verkoperen |
| verkoperende | woordvorm | verkoperen |
| verkopert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verkoperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkoperen zijn vastgelegd.