Naar de inhoud

uitleggen

iets doen begrijpen

uitleggen is meer dan één woord

uitleggen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœytlɛɣə(n)

Betekenis

  1. iets doen begrijpen
  2. iets groter, langer of ruimer maken
  3. iets leggend uitspreiden

Hoe spreek je uitleggen uit?

/ˈœytlɛxən/

Uitleggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytlɛxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
l land
ɛ bed
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. iets doen begrijpen; iets verklaren; iets begrijpelijk maken ditransitive

Vervoeging van uitleggen

uitleggenhele werkwoord — legde uitverleden tijd enkelvoud — legden uitverleden tijd meervoud — uitgelegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leg uit legde uit
jij legt uit legde uit
hij, zij, het legt uit legde uit
wij leggen uit legden uit
jullie leggen uit legden uit
zij leggen uit legden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgelegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgelegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgelegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgelegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgelegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgelegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leg uit gebiedende wijs
legde uit verleden tijd
te hebben uitgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te leggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal leggen bijzin, toekomende tijd
uit zou leggen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden leggen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt leggen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen leggen bijzin, toekomende tijd
uit zult leggen bijzin, toekomende tijd
uitgelegd verleden tijd, deelwoord
uitgelegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitleg bijzin, tegenwoordige tijd
uitlegde bijzin, verleden tijd
uitlegden bijzin, verleden tijd
uitleggend onvoltooid, deelwoord
uitlegt bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitleggen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitleggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitleggen uit zou(dt) leggen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitleggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitleggen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitleggen bijzin, toekomende tijd
zult uitgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitleg

Herkomst

samenstelling van uit bw en leggen ww

Woordfamilie van uitleggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
leg uit gebiedende wijs uitleggen
legde uit verleden tijd uitleggen
legden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitleggen
legge uit woordvorm uitleggen
leggen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitleggen
legt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitleggen
uitgelegd voltooid deelwoord uitleggen
uitgelegde woordvorm uitleggen
uitlegde subordinate-clause, verleden tijd uitleggen
uitlegden subordinate-clause, verleden tijd uitleggen
uitlegge with-subordinate-clause uitleggen
uitleggend onvoltooid deelwoord uitleggen
uitleggende woordvorm uitleggen
uitlegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitleggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitleggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitleggen

Hoe spreek ik uitleggen uit?
Zo spreek je uitleggen uit: /ˈœytlɛɣə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitleggen?
Uitleggen is een werkwoord. De betekenis is: iets doen begrijpen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitleggen?
Zo vervoeg je uitleggen zo: het voltooid deelwoord is uitgelegd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitleggen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitleggen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitleggen in het kort

uitleggen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitleggen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitleggen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitleggen: iets doen begrijpen
Deel uitleggen — standaardnederlands.nl