beduiden
werkwoordBetekenis
- ergens naar verwijzen
- iets met gebaren duidelijk maken
Vervoeging van beduiden
beduidenhele werkwoord — beduiddeverleden tijd enkelvoud — beduiddenverleden tijd meervoud — beduidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beduid | beduidde |
| jij | beduidt | beduidde |
| hij, zij, het | beduidt | beduidde |
| wij | beduiden | beduidden |
| jullie | beduiden | beduidden |
| zij | beduiden | beduidden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| beduid | gebiedende wijs |
| beduid | verleden tijd, deelwoord |
| beduid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beduid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beduid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beduid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beduid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beduid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beduid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beduid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beduid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beduid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beduidde | verleden tijd |
| beduide | aanvoegende wijs |
| beduidend | onvoltooid, deelwoord |
| ben beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is beduid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beduid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beduid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beduid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beduid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beduid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beduid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beduid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beduid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beduiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beduid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beduiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beduid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beduid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beduid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beduid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beduid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beduid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beduid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beduid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beduid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beduid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beduid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beduiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beduid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beduid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beduiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘betekenen’ voor het eerst aangetroffen in 1301.
Woordfamilie van beduiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beduid | voltooid deelwoord | beduiden |
| beduidde | verleden tijd | beduiden |
| beduidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beduiden |
| beduide | aanvoegende wijs | beduiden |
| beduidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beduiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beduiden zijn vastgelegd.