Naar de inhoud

ophelderen

duidelijkheid scheppen in iets

ophelderen

werkwoord

Betekenis

  1. duidelijkheid scheppen in iets

Vervoeging van ophelderen

ophelderenhele werkwoord — helderde opverleden tijd enkelvoud — helderden opverleden tijd meervoud — opgehelderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik helder op helderde op
jij heldert op helderde op
hij, zij, het heldert op helderde op
wij helderen op helderden op
jullie helderen op helderden op
zij helderen op helderden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgehelderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgehelderd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgehelderd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgehelderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgehelderd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgehelderd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgehelderd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgehelderd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgehelderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgehelderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgehelderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgehelderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgehelderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgehelderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgehelderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgehelderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
helder op gebiedende wijs
helderde op verleden tijd
is opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te helderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen helderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal helderen bijzin, toekomende tijd
op zou helderen bijzin, voorwaardelijk
op zouden helderen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt helderen bijzin, voorwaardelijk
op zullen helderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen helderen bijzin, toekomende tijd
op zult helderen bijzin, toekomende tijd
opgehelderd verleden tijd, deelwoord
opgehelderd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgehelderd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgehelderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehelderd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehelderd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehelderd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgehelderd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgehelderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgehelderd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgehelderd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ophelder bijzin, tegenwoordige tijd
ophelderde bijzin, verleden tijd
ophelderden bijzin, verleden tijd
ophelderend onvoltooid, deelwoord
opheldert bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben opgehelderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ophelderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgehelderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgehelderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgehelderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgehelderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgehelderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgehelderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgehelderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgehelderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgehelderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehelderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgehelderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgehelderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehelderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ophelderen bijzin, toekomende tijd
zijn opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgehelderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgehelderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehelderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehelderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehelderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehelderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehelderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ophelderen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) ophelderen op zou(dt) helderen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgehelderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgehelderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgehelderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgehelderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgehelderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgehelderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ophelderen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgehelderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgehelderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ophelderen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgehelderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgehelderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgehelderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgehelderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgehelderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgehelderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgehelderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ophelderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ophelderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ophelderen bijzin, toekomende tijd
zult opgehelderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en helder bn met het achtervoegsel -en van een werkwoord"

Woordfamilie van ophelderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
helder op gebiedende wijs ophelderen
helderde op verleden tijd ophelderen
helderden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ophelderen
heldere op woordvorm ophelderen
helderen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon ophelderen
heldert op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ophelderen
opgehelderd voltooid deelwoord ophelderen
opgehelderde woordvorm ophelderen
ophelder subordinate-clause, tegenwoordige tijd ophelderen
ophelderde subordinate-clause, verleden tijd ophelderen
ophelderden subordinate-clause, verleden tijd ophelderen
opheldere with-subordinate-clause ophelderen
ophelderend onvoltooid deelwoord ophelderen
ophelderende woordvorm ophelderen
opheldert subordinate-clause, tegenwoordige tijd ophelderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophelderen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ophelderen

Wat is de betekenis van ophelderen?
Ophelderen is een werkwoord. De betekenis is: duidelijkheid scheppen in iets.
Hoe vervoeg ik ophelderen?
Zo vervoeg je ophelderen zo: het voltooid deelwoord is opgehelderd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ophelderen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. H 4
  4. E 1
  5. L 3
  6. D 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ophelderen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. H 4
  4. E 1
  5. L 3
  6. D 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ophelderen in het kort

ophelderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van ophelderen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ophelderen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ophelderen: duidelijkheid scheppen in iets
Deel ophelderen — standaardnederlands.nl