ophelderen
werkwoordBetekenis
- duidelijkheid scheppen in iets
Vervoeging van ophelderen
ophelderenhele werkwoord — helderde opverleden tijd enkelvoud — helderden opverleden tijd meervoud — opgehelderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | helder op | helderde op |
| jij | heldert op | helderde op |
| hij, zij, het | heldert op | helderde op |
| wij | helderen op | helderden op |
| jullie | helderen op | helderden op |
| zij | helderen op | helderden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgehelderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgehelderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgehelderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgehelderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgehelderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgehelderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgehelderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgehelderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgehelderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgehelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgehelderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgehelderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgehelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgehelderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgehelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehelderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| helder op | gebiedende wijs |
| helderde op | verleden tijd |
| is opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te helderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen helderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal helderen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou helderen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden helderen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt helderen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen helderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen helderen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult helderen | bijzin, toekomende tijd |
| opgehelderd | verleden tijd, deelwoord |
| opgehelderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehelderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehelderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehelderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehelderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehelderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehelderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehelderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehelderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehelderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ophelder | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophelderde | bijzin, verleden tijd |
| ophelderden | bijzin, verleden tijd |
| ophelderend | onvoltooid, deelwoord |
| opheldert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben opgehelderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ophelderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgehelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehelderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgehelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehelderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgehelderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgehelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgehelderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgehelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgehelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgehelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgehelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ophelderen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgehelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgehelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ophelderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ophelderen op zou(dt) helderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgehelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ophelderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgehelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ophelderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgehelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgehelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ophelderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ophelderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ophelderen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgehelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en helder bn met het achtervoegsel -en van een werkwoord"
Woordfamilie van ophelderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| helder op | gebiedende wijs | ophelderen |
| helderde op | verleden tijd | ophelderen |
| helderden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ophelderen |
| heldere op | woordvorm | ophelderen |
| helderen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ophelderen |
| heldert op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ophelderen |
| opgehelderd | voltooid deelwoord | ophelderen |
| opgehelderde | woordvorm | ophelderen |
| ophelder | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophelderen |
| ophelderde | subordinate-clause, verleden tijd | ophelderen |
| ophelderden | subordinate-clause, verleden tijd | ophelderen |
| opheldere | with-subordinate-clause | ophelderen |
| ophelderend | onvoltooid deelwoord | ophelderen |
| ophelderende | woordvorm | ophelderen |
| opheldert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophelderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophelderen zijn vastgelegd.