vaten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈvatə(n)Betekenis
- de afwas doen
- in tonnen stoppen
Hoe spreek je vaten uit?
/ˈvatən/
Vaten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| a | maan |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vaten
vatenhele werkwoord — vaatteverleden tijd enkelvoud — vaattenverleden tijd meervoud — gevaatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vaat | vaatte |
| jij | vaat | vaatte |
| hij, zij, het | vaat | vaatte |
| wij | vaten | vaatten |
| jullie | vaten | vaatten |
| zij | vaten | vaatten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevaat | verleden tijd, deelwoord |
| gevaat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevaat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevaat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevaat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevaat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevaat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevaat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevaat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevaat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevaat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevaat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevaat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevaat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevaat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevaat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevaat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevaat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevaat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vaten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaat | gebiedende wijs |
| vaatte | verleden tijd |
| vate | aanvoegende wijs |
| vatend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevaat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevaat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevaat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevaat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevaat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevaat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevaat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vat
Herkomst
ww [1]: afgeleid van vaat zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vaten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevaat | voltooid deelwoord | vaten |
| gevate | woordvorm | vaten |
| vaatte | verleden tijd | vaten |
| vaatten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vaten |
| vate | aanvoegende wijs | vaten |
| vatend | onvoltooid deelwoord | vaten |
| vatende | woordvorm | vaten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vaten zijn vastgelegd.