haten
werkwoord /'ɦatə(n)/Betekenis
- kwade gevoelens jegens iemand koesteren
- ergens een hekel aan hebben
Hoe spreek je haten uit?
/ˈhatən/
Haten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van haten
hatenhele werkwoord — haatteverleden tijd enkelvoud — haattenverleden tijd meervoud — gehaatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | haat | haatte |
| jij | haat | haatte |
| hij, zij, het | haat | haatte |
| wij | haten | haatten |
| jullie | haten | haatten |
| zij | haten | haatten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gehaat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehaat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehaat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehaat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehaat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehaat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehaat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehaat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehaat | verleden tijd, deelwoord |
| gehaat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehaat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehaat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehaat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehaat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehaat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehaat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehaat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehaat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehaat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| haat | gebiedende wijs |
| haatte | verleden tijd |
| had gehaat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehaat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehaat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehaat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehaat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehaat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehaat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hate | aanvoegende wijs |
| hatend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehaat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te haten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehaat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen haten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gehaat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehaat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gehaat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehaat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gehaat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gehaat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gehaat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gehaat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gehaat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gehaat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gehaat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gehaat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gehaat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gehaat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gehaat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gehaat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gehaat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gehaat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gehaat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gehaat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gehaat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehaat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehaat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehaat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehaat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal haten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal haten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal haten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gehaat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gehaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehaat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehaat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehaat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou haten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou haten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou haten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehaat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehaat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehaat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden haten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden haten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden haten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehaat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehaat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt haten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehaat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehaat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehaat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehaat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehaat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehaat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen haten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen haten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen haten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen haten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehaat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehaat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehaat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult haten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘sterke afkeer voelen’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van haten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haatte | verleden tijd | haten |
| haatten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | haten |
| hate | aanvoegende wijs | haten |
| hatend | onvoltooid deelwoord | haten |
| hatende | woordvorm | haten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haten zijn vastgelegd.