vaat
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- gedurende de maaltijd gebruikt eetgerei
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van vaten
- gebiedende wijs van vaten
Vervoeging van vaat
vaathele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘borden e.d. die afgewassen moeten worden’ voor het eerst aangetroffen in 1914