Naar de inhoud

uitstrekken

zich uitstrekken betekend zich zo lang en breed mogelijk maken uitrekken

uitstrekken

werkwoord ˈœytstrɛkə(n)

Betekenis

  1. zich uitstrekken betekend zich zo lang en breed mogelijk maken uitrekken
  2. iets kan zich over een bepaalde tijd of plaats uitspreiden.

Hoe spreek je uitstrekken uit?

/ˈœytstrɛkən/

Uitstrekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytstrɛkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
s sok
r rood
ɛ bed
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitstrekken

uitstrekkenhele werkwoord — strekte uitverleden tijd enkelvoud — strekten uitverleden tijd meervoud — uitgestrektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik strek uit strekte uit
jij strekt uit strekte uit
hij, zij, het strekt uit strekte uit
wij strekken uit strekten uit
jullie strekken uit strekten uit
zij strekken uit strekten uit
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgestrekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgestrekt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgestrekt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgestrekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgestrekt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgestrekt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgestrekt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgestrekt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgestrekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgestrekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgestrekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgestrekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgestrekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgestrekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgestrekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgestrekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
strek u/je uit, strekt je uit gebiedende wijs
strek uit gebiedende wijs
strekte uit verleden tijd
te hebben uitgestrekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitstrekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te strekken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen strekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal strekken bijzin, toekomende tijd
uit zou strekken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden strekken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt strekken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen strekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen strekken bijzin, toekomende tijd
uit zult strekken bijzin, toekomende tijd
uitgestrekt verleden tijd, deelwoord
uitgestrekt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgestrekt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgestrekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestrekt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestrekt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestrekt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgestrekt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgestrekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgestrekt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgestrekt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitstrek bijzin, tegenwoordige tijd
uitstrekkend onvoltooid, deelwoord
uitstrekt bijzin, tegenwoordige tijd
uitstrekte bijzin, verleden tijd
uitstrekten bijzin, verleden tijd
waart uitgestrekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgestrekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgestrekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgestrekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgestrekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgestrekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgestrekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgestrekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me uitstrekken eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uitgestrekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestrekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgestrekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgestrekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestrekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitstrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitstrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitstrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitstrekken bijzin, toekomende tijd
zal zich uitstrekken derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uitstrekken tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich uitgestrekt hebben verleden tijd
zich uitstrekkend onvoltooid, deelwoord
zijn uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgestrekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgestrekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestrekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestrekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestrekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestrekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestrekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitstrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitstrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitstrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitstrekken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitstrekken uit zou(dt) strekken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgestrekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgestrekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgestrekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgestrekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgestrekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgestrekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitstrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitstrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitstrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitstrekken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgestrekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgestrekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitstrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitstrekken bijzin, voorwaardelijk
zullen je uitstrekken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons uitstrekken eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen uitgestrekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgestrekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgestrekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgestrekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgestrekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van uit en strekken

Woordfamilie van uitstrekken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
strek uit gebiedende wijs uitstrekken
strekke uit woordvorm uitstrekken
strekken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitstrekken
strekt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitstrekken
strekte uit verleden tijd uitstrekken
strekten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitstrekken
uitstrek subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitstrekken
uitstrekke with-subordinate-clause uitstrekken
uitstrekkend onvoltooid deelwoord uitstrekken
uitstrekkende woordvorm uitstrekken
uitstrekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitstrekken
uitstrekte subordinate-clause, verleden tijd uitstrekken
uitstrekten subordinate-clause, verleden tijd uitstrekken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstrekken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitstrekken

Hoe spreek je uitstrekken uit?
De uitspraak van uitstrekken is: /ˈœytstrɛkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitstrekken?
Uitstrekken is een werkwoord. Het woord betekent: zich uitstrekken betekend zich zo lang en breed mogelijk maken uitrekken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitstrekken?
Je vervoegt uitstrekken als volgt: het voltooid deelwoord is uitgestrekt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitstrekken is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. R 2
  7. E 1
  8. K 3
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitstrekken levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. R 2
  7. E 1
  8. K 3
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitstrekken in het kort

uitstrekken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitstrekken zijn 99 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitstrekken bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitstrekken: zich uitstrekken betekend zich zo lang en breed mogelijk maken uitrekken
Deel uitstrekken — standaardnederlands.nl