Naar de inhoud

uitsteken

in grootte de rest voorbijstreven

uitsteken

werkwoord

Betekenis

  1. in grootte de rest voorbijstreven
  2. (de ogen) met een scherp voorwerp stekend verwijderen
  3. uitstrekken, bijvoorbeeld van een ledemaat

werkwoord

  1. met een scherp voorwerp stekend verwijderen ditransitive

Vervoeging van uitsteken

uitstekenhele werkwoord — stak uitverleden tijd enkelvoud — staken uitverleden tijd meervoud — uitgestokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik steek uit stak uit
jij steekt uit staakt uit
hij, zij, het steekt uit stak uit
wij steken uit staken uit
jullie steken uit staken uit
zij steken uit staken uit
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgestoken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgestoken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgestoken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgestoken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgestoken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgestoken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgestoken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgestoken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgestoken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stak uit verleden tijd
steek uit gebiedende wijs
te hebben uitgestoken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitsteken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te steken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen steken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal steken bijzin, toekomende tijd
uit zou steken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden steken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt steken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen steken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen steken bijzin, toekomende tijd
uit zult steken bijzin, toekomende tijd
uitgestoken verleden tijd, deelwoord
uitgestoken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgestoken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgestoken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestoken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestoken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestoken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgestoken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgestoken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgestoken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgestoken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitstaakt bijzin, verleden tijd
uitstak bijzin, verleden tijd
uitstaken bijzin, verleden tijd
uitsteek bijzin, tegenwoordige tijd
uitsteekt bijzin, tegenwoordige tijd
uitstekend onvoltooid, deelwoord
waart uitgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitsteken bijzin, toekomende tijd
zijn uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitsteken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitsteken uit zou(dt) steken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitsteken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitsteken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitsteken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitsteken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en steken ww

Woordfamilie van uitsteken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
stak uit verleden tijd uitsteken
staken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitsteken
steek uit gebiedende wijs uitsteken
steekt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitsteken
steke uit woordvorm uitsteken
steken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitsteken
uitgestoken voltooid deelwoord uitsteken
uitstak subordinate-clause, verleden tijd uitsteken
uitstaken subordinate-clause, verleden tijd uitsteken
uitsteek subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsteken
uitsteekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsteken
uitsteke with-subordinate-clause uitsteken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitsteken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitsteken

Wat is de betekenis van uitsteken?
Uitsteken is een werkwoord. De betekenis is: in grootte de rest voorbijstreven. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitsteken?
Zo vervoeg je uitsteken zo: het voltooid deelwoord is uitgestoken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitsteken is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitsteken levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitsteken in het kort

uitsteken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitsteken staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitsteken bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitsteken: in grootte de rest voorbijstreven
Deel uitsteken — standaardnederlands.nl