Naar de inhoud

uitbreiden

iets een groter oppervlak laten innemen

uitbreiden

werkwoord ˈœydbrɛidə(n)

Betekenis

  1. iets een groter oppervlak laten innemen
  2. zich uitbreiden: zich over een groter deel verspreiden

Hoe spreek je uitbreiden uit?

/ˈœydbrɛidən/

Uitbreiden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœydbrɛidən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
d dak
b bak
r rood
ɛi trein
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. toenemen in aantal

Vervoeging van uitbreiden

uitbreidenhele werkwoord — breidde uitverleden tijd enkelvoud — breidden uitverleden tijd meervoud — uitgebreidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik breid uit breidde uit
jij breidt uit breidde uit
hij, zij, het breidt uit breidde uit
wij breiden uit breidden uit
jullie breiden uit breidden uit
zij breiden uit breidden uit
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
breid u/je uit, breidt je uit gebiedende wijs
breid uit gebiedende wijs
breidde uit verleden tijd
er is uitgebreid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgebreid impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgebreid impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgebreid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgebreid worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgebreid zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgebreid worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgebreid zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgebreid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgebreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgebreid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgebreid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgebreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgebreid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgebreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebreid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgebreid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbreiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te breiden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen breiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal breiden bijzin, toekomende tijd
uit zou breiden bijzin, voorwaardelijk
uit zouden breiden bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt breiden bijzin, voorwaardelijk
uit zullen breiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen breiden bijzin, toekomende tijd
uit zult breiden bijzin, toekomende tijd
uitbreid bijzin, tegenwoordige tijd
uitbreidde bijzin, verleden tijd
uitbreidden bijzin, verleden tijd
uitbreidend onvoltooid, deelwoord
uitbreidt bijzin, tegenwoordige tijd
uitgebreid verleden tijd, deelwoord
uitgebreid te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebreid te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebreid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebreid te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebreid te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebreid worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebreid zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebreid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebreid zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebreid zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgebreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebreid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgebreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebreid voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgebreid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgebreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgebreid voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgebreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me uitbreiden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbreiden bijzin, toekomende tijd
zal uitgebreid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebreid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgebreid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgebreid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebreid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgebreid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebreid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich uitbreiden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uitbreiden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich uitbreidend onvoltooid, deelwoord
zich uitgebreid hebben verleden tijd
zijn uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgebreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbreiden bijzin, voorwaardelijk
zou uitgebreid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebreid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebreid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgebreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgebreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebreid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebreid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebreid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitbreiden uit zou(dt) breiden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbreiden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgebreid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebreid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebreid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgebreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgebreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebreid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebreid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebreid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbreiden bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgebreid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebreid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je uitbreiden tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons uitbreiden eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen uitbreiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbreiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbreiden bijzin, toekomende tijd
zullen uitgebreid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebreid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

leenvertaling van Duits ausbreiten; op te vatten als samenstellende afleiding van uit (bijwoord), breed (bijwoord) en met het achtervoegsel -en dat een werkwoord vormt, of een samenstelling van uit bw en breiden ww verouderd uit West-Vlaanderen "breder maken" ,

Woordfamilie van uitbreiden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
breid uit gebiedende wijs uitbreiden
breidde uit verleden tijd uitbreiden
breidden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitbreiden
breide uit woordvorm uitbreiden
breiden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitbreiden
breidt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitbreiden
uitbreid subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbreiden
uitbreidde subordinate-clause, verleden tijd uitbreiden
uitbreidden subordinate-clause, verleden tijd uitbreiden
uitbreide with-subordinate-clause uitbreiden
uitbreidt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbreiden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbreiden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitbreiden

Hoe spreek ik uitbreiden uit?
Zo spreek je uitbreiden uit: /ˈœydbrɛidə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitbreiden?
Uitbreiden is een werkwoord. De betekenis is: iets een groter oppervlak laten innemen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitbreiden?
Zo vervoeg je uitbreiden zo: het voltooid deelwoord is uitgebreid. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitbreiden is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. R 2
  6. E 1
  7. I 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitbreiden levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. R 2
  6. E 1
  7. I 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitbreiden in het kort

uitbreiden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitbreiden staan er 99 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitbreiden bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitbreiden: iets een groter oppervlak laten innemen
Deel uitbreiden — standaardnederlands.nl