ophouden
werkwoord ˈɔphɑudə(n)Betekenis
- zich bezighouden met
- ~ met, ~ te: een activiteit beëindigen
- (ongebruikelijk) omhoog houden
- trachten te geven
- openhouden
- tegenhouden
- beletten verder te gaan
- zich ~: zijn
Hoe spreek je ophouden uit?
/ˈɔphɑudən/
Ophouden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| h | hoed |
| ɑu | koud |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een einde nemen, stoppen [4] impersonal, intransitive
- ~ met, ~ te: een activiteit beëindigen, stoppen [5] ergative
- omhoog houden transitive
Vervoeging van ophouden
ophoudenhele werkwoord — hield opverleden tijd enkelvoud — hielden opverleden tijd meervoud — opgehoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hou op | hield op |
| jij | houdt op | hield op |
| hij, zij, het | houdt op | hield op |
| wij | houden op | hielden op |
| jullie | houden op | hielden op |
| zij | houden op | hielden op |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgehouden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgehouden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgehouden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgehouden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. hou op/ houd op | gebiedende wijs |
| had opgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hield op | verleden tijd |
| hou | gebiedende wijs |
| houd u | gebiedende wijs |
| is opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| je op, houdt je op | gebiedende wijs |
| op te houden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal houden | bijzin, toekomende tijd |
| op zou houden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden houden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt houden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen houden | bijzin, toekomende tijd |
| op zult houden | bijzin, toekomende tijd |
| opgehouden | verleden tijd, deelwoord |
| opgehouden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehouden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehouden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehouden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehouden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehouden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehouden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehouden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ophield | bijzin, verleden tijd |
| ophielden | bijzin, verleden tijd |
| ophou | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophoud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophoudend | onvoltooid, deelwoord |
| ophoudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben opgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ophouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me ophouden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal opgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ophouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ophouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ophouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ophouden | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich ophouden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ophouden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich opgehouden hebben | verleden tijd |
| zich ophoudend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ophouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ophouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ophouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ophouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ophouden op zou(dt) houden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ophouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ophouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ophouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ophouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ophouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ophouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je ophouden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons ophouden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen opgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en houden ww
Woordfamilie van ophouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hield op | verleden tijd | ophouden |
| hielden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ophouden |
| hou op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | ophouden |
| houd op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | ophouden |
| houde op | woordvorm | ophouden |
| houden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ophouden |
| houdt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ophouden |
| opgehouden | voltooid deelwoord | ophouden |
| ophield | subordinate-clause, verleden tijd | ophouden |
| ophielden | subordinate-clause, verleden tijd | ophouden |
| ophou | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophouden |
| ophoud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophouden |
| ophoude | with-subordinate-clause | ophouden |
| ophoudend | onvoltooid deelwoord | ophouden |
| ophoudende | woordvorm | ophouden |
| ophoudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophouden zijn vastgelegd.