Naar de inhoud

uitspelen

ten einde spelen

uitspelen

werkwoord ˈœytspelə(n)

Betekenis

  1. ten einde spelen
  2. spelen op het terrein van de tegenpartij
  3. (een tegenstander) uitschakelen door middel van een dribbel of een pass

Hoe spreek je uitspelen uit?

/ˈœytspelən/

Uitspelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytspelən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
s sok
p pak
e veel
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. uitschakelen door middel van een dribbel of een pass transitive

Vervoeging van uitspelen

uitspelenhele werkwoord — speelde uitverleden tijd enkelvoud — speelden uitverleden tijd meervoud — uitgespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel uit speelde uit
jij speelt uit speelde uit
hij, zij, het speelt uit speelde uit
wij spelen uit speelden uit
jullie spelen uit speelden uit
zij spelen uit speelden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgespeeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgespeeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgespeeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgespeeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgespeeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgespeeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
speel uit gebiedende wijs
speelde uit verleden tijd
te hebben uitgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal spelen bijzin, toekomende tijd
uit zou spelen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen spelen bijzin, toekomende tijd
uit zult spelen bijzin, toekomende tijd
uitgespeeld verleden tijd, deelwoord
uitgespeeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgespeeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespeeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespeeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespeeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgespeeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgespeeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgespeeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitspeel bijzin, tegenwoordige tijd
uitspeelde bijzin, verleden tijd
uitspeelden bijzin, verleden tijd
uitspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
uitspelend onvoltooid, deelwoord
waart uitgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitspelen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitspelen uit zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitspelen bijzin, toekomende tijd
zult uitgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en spelen

Woordfamilie van uitspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
speel uit gebiedende wijs uitspelen
speelde uit verleden tijd uitspelen
speelden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitspelen
speelt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitspelen
spele uit woordvorm uitspelen
spelen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitspelen
uitgespeeld voltooid deelwoord uitspelen
uitgespeelde woordvorm uitspelen
uitspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitspelen
uitspeelde subordinate-clause, verleden tijd uitspelen
uitspeelden subordinate-clause, verleden tijd uitspelen
uitspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitspelen
uitspele with-subordinate-clause uitspelen
uitspelend onvoltooid deelwoord uitspelen
uitspelende woordvorm uitspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitspelen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitspelen

Hoe spreek ik uitspelen uit?
Zo spreek je uitspelen uit: /ˈœytspelə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitspelen?
Uitspelen is een werkwoord. De betekenis is: ten einde spelen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitspelen?
Zo vervoeg je uitspelen zo: het voltooid deelwoord is uitgespeeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitspelen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitspelen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 4
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitspelen in het kort

uitspelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitspelen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitspelen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitspelen: ten einde spelen
Deel uitspelen — standaardnederlands.nl